Global Middle East – Into the twenty-first century: een pleidooi voor kosmopolitisme

Het Midden-Oosten wordt vaak afgeschilderd als een geïsoleerde regio, een moeizame of complexe regio, onveranderlijk, twistziek en tribaal. Dat het onzin is om een regio los te zien van zijn omgeving (want zo is geen enkele regio, zelfs eilandjes in de Grote Oceaan worden beïnvloed van buitenaf) wordt duidelijk uit een zeer uitgebreide reeks essays, onderverdeeld in zes hoofdstukken (‘Nations without borders’, ‘Home and the world’, ‘Food, Film, Fashion, Music’, ‘Geopolitics of goods’, ‘Human flows’, en ‘Politics and movements’). Elk essay laat vanuit een andere invalshoek zien hoe sterk de regio verbonden is met de rest van de wereld.

Het frappante is: in de meeste gevallen wisten we dat eigenlijk al lang. Neem het eerste essay: ‘God’. Een groot deel van de wereldbewoners heeft een Godsbeeld dat ontstond in het Midden-Oosten. Ook is ondertussen lang en breed bekend dat wetenschappers uit de regio een grote rol hadden in de ontwikkeling en verspreiding van onder andere algebra en astronomie.

De schrijvers herinneren ons eraan hoe het komt dat landen/staten in de MENA zijn wat ze zijn, en waarom ze functioneren zoals ze functioneren. Daar ligt eindeloze bemoeienis van buitenaf aan ten grondslag. In het gebied dat we nu het Midden-Oosten noemen (een koloniale term, door de Engelsen geïntroduceerd tijdens hun bezetting van Egypte), lagen eerder grote Islamitische rijken: van de Fatimiden, de Safividen, en de Ottomanen. Hoogleraar Hamid Dabashi beschrijft hoe er sinds koloniale tijden met geweld een geografie is opgelegd, en hoe Europa en de VS zichzelf als het centrum van de wereld zijn gaan zien: ‘The West and the Rest’. In het Westen bestaat bij veel mensen bijvoorbeeld een neiging om Westerse artiesten, denkers, schrijvers als universeel te zien, en niet-Westerse artiesten, denkers en schrijvers als ‘lokaal’. Het bizarre is dat postkoloniale natiestaten in het Midden-Oosten zelf óók zijn meegegaan in dat narratief. Deze gefabriceerde, lineaire geschiedenis van hun land wordt gebruikt om het staatsbestuur te legitimeren en oppositie uit te schakelen. Ben je tegen mij? Dan ben je tegen de onafhankelijkheidsstrijd! Op die manier vernauwt de lineaire geschiedschrijver het wereldbeeld van burgers in het Midden-Oosten, en ontneemt het hen een kosmopolitische blik.

Iemand die de stereotypen over Moslims en Arabieren doorbreekt, gewoon door zichzelf te zijn, is de Egyptische stervoetballer Mohamed Salah. Volgens schrijver en socioloog Amro Ali heeft hij grote invloed, niet zozeer omdat hij een topspeler is, maar omdat hij een soort morele held is geworden. Hij verbergt nooit dat hij een vroom moslim is, wat in combinatie met zijn sympathieke uitstraling een bijzonder effect had. Een studie door de Universiteit van Stanford liet zien dat (mede) door de voetbalster Islamofobe haatmisdaden met bijna twintig procent, en de anti-Moslim tweets met de helft afnamen. Voor Arabieren, en in het bijzonder Egyptenaren, geeft hij hernieuwde betekenis aan de begrippen waardigheid, menselijkheid en vriendelijkheid. Het feit dat hij bedankte voor een luxe villa, en liever een donatie deed aan zijn geboortedorp, zette de toon. Hij laat zien, beschrijft Ali, dat ‘het alternatief voor nationalisme niet verraad is, maar burgerlijke verantwoordelijkheid. Het alternatief voor verstikkend religieus conservatisme hoeft niet perse apathie of bespotting van het heilige te zijn, maar vertrouwen geven aan een stevig systeem van waarden’. Zo appelleert Salah, zowel in het Westen als in Egypte en de rest van de Islamitische wereld aan onze menselijkheid.

Er is een mooi essay opgenomen van Edward Said, “Reflections on Exile”, dat, hoewel het natuurlijk is geïnspireerd door zijn eigen ballingschap als Palestijn, niet speciaal gaat over het Midden-Oosten. Hij beschrijft hoe de pijn van het van huis en haard verdreven zijn een existentiële pijn is, en dat die die bij schrijvers vaak een belangrijke inspiratie vormt in hun werk. Hij noemt James Joyce en Joseph Conrad, die hun ballingschap ook koesterden. In Nederlandse context moet ik meteen denken aan Rodaan al Galidi. Juist het feit dat ze niet thuis zijn, nergens thuis zijn, maakt hun kijk op de wereld zo origineel en de moeite waard.

Bayat en Herrera, die het boek redigeerden, zijn geen onderzoekers zonder mening. Tijdens een bijeenkomst in 2018 in Den Haag, over wat we vanuit Europa kunnen doen om jongeren in het Midden-Oosten meer perspectief te bieden, legde Herrera haarscherp uit dat de Westerse ‘focus’ op het stimuleren van ondernemerschap in de MENA-regio niet eerlijk is. Dat legt de verantwoordelijkheid bij het individu, en doet niets tegen corrupte en onrechtvaardige nationale en internationale systemen.

Het bezwaar tegen neoliberalisme en kapitalisme zien we bij veel van de schrijvers in het boek terug. Politicoloog en historicus Timothy Mitchell beschrijft in zijn hoofdstuk ‘Cycle of Oil and Arms’ hoe Westerse overheden, in het bijzonder de VS, wapenverkoop aan het Midden-Oosten promootten als manier om het geld dat ze daar aan olie uitgaven weer terug te verdienen. Op die manier ontstond er een sterke link tussen olieproductie en wapenproductie, en ondertussen dragen Westerse overheden bij aan het ontstaan en in stand houden van bijzonder autoritaire regimes in de oliestaten.

Om stabiele olieproductie te garanderen kwam het lokale machthebbers, maar ook de Amerikanen en de Britten, heel goed uit het productiesysteem te laten draaien op tijdelijke arbeidsmigranten. Voor verschillende beroepsgroepen kwamen arbeiders uit verschillende landen. Vandaag de dag is 49% van de bewoners van de Golfstaten buitenlands, hoofdzakelijk Aziatisch. In de Verenigde Arabische Emiraten en in Qatar is dat zelfs 90%. Geen van deze bewoners heeft burgerschapsrechten, of überhaupt rechten. Van het stereotype beeld van een homogene ‘Arabische Golfcultuur’ klopt dus weinig. Vóór het olietijdperk was de regio veel kosmopolitischer, en de variatie aan lokale culturen groot.

Er is ook plek voor mondainere onderwerpen, zoals eten en muziek. Ted Swedenburg, hoogleraar antropologie, droeg een mooi stuk bij over de keffiyeh, de ‘Palestijnensjaal’. Deze sjaal werd als symbool voor de strijd van Palestijnen aanvankelijk geadopteerd door sympathisanten over de hele wereld. Vervolgens werd de sjaal, of het patroon ervan, overgenomen door modeontwerpers, door militairen en door demonstranten voor diverse andere zaken. Zo groeide de keffiyeh uit tot een transnationaal fenomeen.

De keffiyeh werd een mondiaal symbool van strijd en verzet.

Palestina komt vaker voor in het boek, omdat ‘de Palestijnse kwestie’ zoveel zegt over prioriteiten en verhoudingen in de wereld zoals die lange tijd waren. Maar ook hoe rechten van Palestijnen deel uitmaken van een bredere roep om rechtvaardigheid in de wereld. Palestina was lang de uitzondering in het landschap van progressieve politiek, schrijft Ilana Feldman, hoogleraar antropologie, in het hoofdstuk ‘Global movement for Palestine’. Daar is zelfs een benaming voor: PEP, Progressive Except for Palestine. Net als de Black Lives Matter beweging, laat de wereldwijde steun voor de Palestijnse beweging Boycot, Divestment and Sanctions (BDS) zien dat er een wezenlijke verandering gaande is. Er lijkt een groeiende herkenning en erkenning van systemen en structuren die bepaalde groepen onderdrukken, en die met elkaar verbonden zijn. Daarom ontvingen demonstranten in Ferguson, Missouri, solidaire tweets vanuit Palestina met advies over hoe om te gaan met traangas. Waarbij ze erop wezen dat het traangas dat het Israëlische leger inzet tegen Palestijnse demonstranten hetzelfde is als dat van de politie in Ferguson, ‘made in the USA’.

Het laatste hoofdstuk van het boek is een interview met de Turks-Joodse filosoof Seyla Benhabib. Haar specialisatie is kosmopolitisme en ‘de rechten van de ander.’ Haar visie is sterk verbonden met de achtergrond van haar eigen familie, vluchtelingen uit 15e eeuws Spanje, en haar jeugd in het kosmopolitische Istanbul van de vorige eeuw. Ze ziet de enorme competitie tussen kapitalistische staten, met leiders als Erdogan, Modi, Duterte, Trump, Poetin en Boslonaro, met lede ogen aan. ‘Terwijl de wereldeconomie en de geopolitiek van supermachten zich hergroeperen, trekken mensen zich terug in dat wat ze kennen, en dat willen ze koste wat het kost verdedigen.’ En dan keren ze zich dus tegen migranten en alles wat van over de grens komt. Terwijl, zegt Benhabib, ‘kosmopolitisme de intelligente menselijke samenwerking benadrukt die nodig is om wereldwijde problemen op te lossen. Ironisch genoeg hebben we in deze tijd dus meer, niet minder, kosmopolitisme nodig.’

Dit boek brengt welkome nuances aan in het beeld dat velen van het Midden-Oosten hebben, en toont onze diepe historische en hedendaagse verbinding met de mensen die er wonen.

Asef Bayat en Linda Herrera werken beiden als hoogleraar aan de Universiteit van Illinois Urbana-Champaign. Eerder woonden ze in Nederland. Bayat was academisch directeur van het inmiddels gesloten Instituut voor de Studie van Islam in de Moderne Wereld (ISIM) in Leiden. Herrera, die gespecialiseerd is in Egypte en in onderwijsbeleid, gaf les aan het International Institute of Social Studies van de Erasmus University.

Global Middle East – Into the Twenty-First Century

Edited by Asef Bayat and Linda Herrera

University of California Press

2021

Syrisch televisiedrama: toonbeeld van creativiteit en symbool van hoop

Het draait allemaal om liefdesverhalen. Joubin, die een leerstoel  Arabische studies aan het Davidson College in North Carolina bekleedt,  woonde vanaf  2002 in Syrië en richtte er een galerie op. Al-Jisr (De Brug) was een plek waar kunstenaars, musici en intellectuelen vrijelijk bijeenkwamen en discussieerden over cultuur en politiek. Joubin leidde de galerie samen met haar in 2008 overleden echtgenoot Monkith Sa‘id, ook in Nederland een bekend kunstenaar en beeldhouwer.

Na zijn overlijden pendelde Joubin tussen Syrië en de Verenigde Staten en voltooide haar onderzoek. Haar koffers zaten volgepropt met honderden DVD’s om alle miniseries (musalsalat) te kunnen volgen. Op het vliegveld werd haar altijd om uitleg gevraagd. Zodra ze aan de douaniers vertelde dat ze dol was op liefdesverhalen ontspon zich een geanimeerd gesprek over beroemde acteurs en favoriete dramaseries. Daarna kon ze zonder problemen doorlopen.

Rebecca Joubin

Televisiedrama biedt hoop en houdt Syrië en misschien wel het hele Midden Oosten bijeen. Eind december 2020 overleed Hatem Ali, een van de meest populaire dramaregisseurs in de Arabische wereld. Zijn dood bracht Syriërs van alle achtergronden, etniciteiten, kleur en maatschappelijke afkomst samen om te rouwen over dit grote Syrische én culturele verlies. ‘Dit is sinds 2011 niet voorgekomen,’ reageert soapschrijfster Araa Al Jaramani.

Geen wonder: iedereen kijkt en bespreekt de laatste series, er is discussie online, in koffiehuizen en tijdens bijeenkomsten van intellectuelen. Joubin analyseert niet alleen het erfgoed van het Syrische drama in tijden van catastrofe, maar nodigt lezers uit in gesprek te gaan over de urgentie van deze populaire kunstvorm. Drama biedt een menselijk perspectief in de oorlog, geeft diverse standpunten en stemmen weer en is het kloppende hart van de Arabische samenleving.

Politiek van liefde
Joubin onderzoekt de Syrische miniseries al vele jaren. Kijken naar series is een nationaal tijdverdrijf en een belangrijk ritueel gedurende de ramadan, met elke dag miljoenen kijkers. De makers van Syrisch drama zijn meesters in scenarioschrijven, regisseren, acteren, muziek en mise-en scène. Heel wat anders dan de oppervlakkige verhaallijnen van ‘Goede Tijden, Slechte Tijden’. Zo zijn de miniseries uit het oude Damascus vooral populair omdat ze zich afspelen op echte historische plekken en verhalen vertellen uit voorbije tijden. De authenticiteit van deze series en de natuurlijke manier van filmen krijgen veel lof.

‘Vóór de opstanden werden deze series gezien als een metafoor die de Baath partij via de Franse Koloniale Mandaatsperiode op een indirecte manier zou bekritiseren,’ aldus Joubin.’ Toen de opstanden begonnen gaven mensen miniseries zoals Bab al-Hara (‘Kijk in de Wijk’) zelfs de schuld van het ontstaan ervan. Deze series waren in 2011 zo populair dat in heel  Damascus tissuedozen met Bab al-Hara te koop waren en toeristen en masse de nagebouwde filmset bezochten. In de loop der tijd veranderden de series van standpunt. Geen kritiek meer op de Baath-partij maar op westerse samenzweringen tegen Syrië. Toen de opstanden begonnen, was de reactie van mensen dat het allemaal kwam door Amerika, Israël, Frankrijk en Europa. De dialoog veranderde. De kritiek op het regime loopt nu via Westerse samenzweringen. De grootste zorg blijft het door oorlog verscheurde Syrië.’

Joubins onderzoek documenteert drama vanaf de jaren zestig. Haar eerdere boek ‘The Politics of Love’ is een weerslag van meer dan 250 miniseries, persverslagen, Facebookdiscussies en uitgebreide interviews met beroemde makers zoals de Vader van het Syrische Drama, Haitham Haqqi, maar ook anderen, zoals Mamduh Adwan, Najib Nseir, Inas Haqqi en Colette Bahna. Een uitgebreide groep schrijvers, regisseurs en acteurs deelde verhalen van de oudere generatie die inzicht geven in de geschiedenis van het Syrische televisiedrama.

Regisseur Haitham Haqqi (brildragend) op de set van de Zijden Markt, Khan al-Harir

Storytelling
Het is geen wonder dat Syrisch televisiedrama zo levendig is. Damascus heeft een eeuwenoude traditie van verhalen vertellen waar de verteller, de hakawati, zijn publiek betovert en meevoert. Een van de oudste verhalenhuizen in Damascus, Nawfura, bestaat al sinds de 17e  eeuw. In de orale traditie is drama het belangrijkste ingrediënt. Joubin ziet drama niet alleen als visuele literatuur, maar richt zich ook op het kunstzinnige aspect ervan.

Ze legt uit: ‘In drama komen alle kunstvormen samen, dat maakt het zo krachtig. Dat de Syriërs hier meesters in zijn is geen toeval. In de jaren zestig werden politieke partijen verbannen, waardoor veel activisten voor de televisie gingen werken. Veel scenario’s en scripts worden dan ook geschreven door romanschrijvers, dichters en journalisten die geschiedenis omzetten in kunst. Los van de artistieke waarde van de miniseries zijn ze er niet alleen op gericht mensen te vermaken, maar juist ook om officiële verhaallijnen te ontmantelen. De dramaseries vormen een arena waarin postkoloniale Syrische cultuur en artistiek talent tot uitdrukking komen in een strijd om visies op het verleden, het heden en de toekomst van Syrië.’

De relatie tussen dramamakers en het autoritaire regime is volgens haar complex. ‘In tegenstelling tot films vallen televisieproducties niet onder directe staatscontrole. Toch zijn veel particuliere productiebedrijven, grotere en kleinere, via een achterdeur verbonden met de staat. Het is algemeen bekend dat de dramaseries geld witwassen van corrupte ambtenaren. Het regime kiest doelbewust mensen uit met een dubieuze status om op die manier macht over hen uit te oefenen. Insiders weten dat veel productiebedrijven na de Arabische Lente werden opgeheven omdat zij hun geld overboekten naar buitenlandse rekeningen.’

Meesters in framing
Mensen vragen zich af hoe het mogelijk is dat de familie Assad nog steeds aan de macht is. Joubin:  ‘Zij beheerst de kunst van framen door angst te creëren, en door middel van verdeel-en-heers. Deze tactiek houdt de Assads in het zadel. Het begon onder Hafez- al-Assad, in zijn hoedanigheid van ‘verhalenverteller’. De staat gebruikt cultuur om legitimiteit te verwerven. Hafez beweerde een culturele revolutie te steunen om zo het vertrouwen van de intellectuelen te winnen. Zijn zoon Bashar ontmoet regelmatig kunstenaars, dwingt vriendschappen af en is nog actiever op dit vlak dan zijn vader.’

Een goed voorbeeld van framing is het woord ‘opstand’, zegt ze. ‘Gedurende de afgelopen tien jaar heeft het regime het woord ‘opstand’ consequent genegeerd en vervangen door het meer neutrale woord ‘crisis’, azmeh. De meerjarige sketchkomedie Schijnwerper, Buq‘at Daw’, bespotte dit in de aflevering: ‘De historicus van de crisis’. In deze korte sketch zien we Nasser Adib, een historicus in een smetteloos wit pak tijdens een interview op televisie. Hij legt uit dat het zijn plicht is om de ‘crisis’ te verslaan. Later wordt hij keer op keer opgewacht en onder druk gezet door agenten van de geheime dienst maar ook door zakenvrouwen en -mannen. Ieder dringt hem haar of zijn perspectief op de ‘crisis’ op. Als kijker voel je de spanningsopbouw, de constante dreiging en angst voor mishandeling. Als metafoor voor de verschillende frames krijgt de historicus telkens mappen in verschillende kleuren overhandigd, in groen, rood of blauw. De historicus raakt uiteindelijk verlamd door angst. Hij kiest voor de vrijheid van het leven als straatventer,  verkoopt snoep en loopt op twee verschillende slippers.’

Buq‘at Daw’, Schijnwerper, Ramadan 2017 Aflevering: De historicus van de crisis (gespeeld door Ayman Rida).

Olifant in de kamer
Wat is de samenhang tussen dramamakers en het regime? Is dit de olifant in de kamer?

‘Het fascineert me hoe het mogelijk is dat veel productiebedrijven indirect geaffilieerd zijn met het regime en tegelijkertijd toch in staat zijn om zeer kritisch werk te maken. De staat geeft ruimte voor harde kritiek en politieke scherts. Tegelijkertijd creëert diezelfde staat een relatie met de makers door het verlenen van privileges die het fundament van het politieke systeem veiligstellen en ervoor zorgen dat niemand te rijk kan worden. Denk aan cadeaus zoals huizen, auto’s of kleinere diensten zoals militaire vrijstellingen of de kans om je kinderen in het buitenland te laten studeren. Degenen die openlijk kritiek durven te uiten worden vaak gezien als heimelijke aanhangers van de regering.

‘Het is niet alleen een kwestie van cadeaus en privileges, het komt vooral door de onvoorspelbare tactiek van verdeel-en-heers. Het verlenen van gunsten aan de een maar niet aan anderen om dan op een onverwacht moment toe te slaan en de rekening te vereffenen. Dit creëert strijd tussen kunstenaars onderling en dat is precies de bedoeling. Het systeem van netwerken, patronage en coöptatie druppelt door in alle lagen van de samenleving. Drama is een van de branches waaruit blijkt hoe de infiltratie van corruptie werkt. Het fenomeen corruptie is overigens vaak onderwerp van de miniseries. Hierin zie je acteurs die proberen te overleven in wereld vol morele verdorvenheid, ongelijkheid en privileges.’

De bekende, inmiddels overleden scenarioschrijver Mamduh Adwan bevestigt dit spanningsveld. Hij beklaagde zich erover dat ‘intellectuelen worden gedwongen om te onderhandelen tussen hun behoefte aan veiligheid en het verlangen naar creatieve rebellie. Alleen door het afzwakken van een werk vindt een kunstenaar zelfregulering binnen de bureaucratische conventies van het regime.’

Grijs – Ramadi
Hoe werkt de Syrische geest als het gaat om kleur bekennen?

‘De kleur grijs, ramadi, verwijst naar mensen die neutraal zijn en weigeren om een politiek standpunt in te nemen. Ook deze kleur, dit gegeven, wordt door dramamakers vastgelegd. Drama schenkt je een stuk van de maatschappij, een stuk cultuur. Syrisch drama kan je niet in een categorie plaatsen. Scenarioschrijvers gaan op een verschillende manier met de druk om. Er zijn er die nostalgisch werk maken om de realiteit te vergeten. Sommigen geven het standpunt van de oppositie weer terwijl anderen verhalen maken over liefde of het huwelijk, zonder politiek statement. Er zijn regisseurs die veel verder gaan in hun kritiek, die metaforen en symbolen gebruiken om dingen aan de kaak te stellen. Het is makkelijker om kritisch te zijn wanneer je scenario’s schrijft in het buitenland. Filmregisseur Inas Haqqi maakt bijvoorbeeld een internetshow: Under 35. Dit is het eerste ongecensureerde Syrische platform dat jonge mensen de kans geeft om zich te uiten buiten de Syrische landsgrenzen. We kunnen niet generaliseren. Soms lukt het ook kritische series in Syrië te filmen maar het kan niet worden ontkend dat het moeilijker is fondsen te werven voor series die politiek kritisch zijn.’

Rode lijn en fluisterstrategie
‘Dramaseries lenen zich bij uitstek voor het versturen van indirecte boodschappen. Tegelijk heeft het regime een onzichtbare rode lijn getrokken. Niemand weet precies wanneer iemand daarover heen stapt en plotsklaps  in de kerkers van het regime ‘verdwijnt’. Dit maakt dat er weinig politiek-culturele artikelen over Syrisch drama in de media verschijnen. Hierdoor beweren mediaspecialisten buiten Syrië dat dramamakers deel uitmaken van de ‘fluisterstrategie’.  Het regime fluistert, intellectuelen praten erover, enzovoort. De verhalen van dramamakers zijn er volgens deze duiders vooral op gericht om een dragelijke dialoog met het Assad-regime te bewerkstelligen.’

De Syriërs zijn zich bewust van hun eigen demonen. Dit biedt een opening in de diepte van hun ziel.

Joubin is het met deze uitleg fundamenteel oneens. ‘Makers zijn beschouwend en zijn de eersten om te praten over de continue strijd tegen medeplichtigheid. Ze erkennen deze verleidingen. Vanuit westerse optiek moeten we vermijden om drama in categorieën te plaatsen, aangezien  iedere maker een andere manier heeft om met de huidige realiteit om te gaan. Waarom zouden we generaliseren en de autonomie van deze intellectuelen ter discussie stellen in een poging het regime in diskrediet te brengen?’Joubin richt haar aandacht liever op de makers zelf.

Woorden als zwaarden
‘Het regime heeft altijd geprobeerd om verdeeldheid te zaaien tussen intellectuelen, ook door het narratief van angst voor machtsovername door fundamentalisten. De makers die in Syrië zijn achtergebleven laten hun politieke mening niet altijd blijken. Sommigen menen dat de ware revolutie in de kunst zit, zonder directe politieke deelname. Er zijn kunstenaars die zich nooit ergens over hebben uitgesproken, en toch worden ze vermist, terwijl anderen kritische miniseries kunnen maken. In hun ogen zijn woorden als zwaarden, een manier om de moorden, vernietiging, spionage, corruptie en hypocrisie van het regime aan de orde te stellen. Een goed voorbeeld is de miniserie Helawat Al Ruh (‘De schoonheid van de ziel’),  van regisseur Rafi Wahbi. Hierin legt hij de belangrijke slogan vast die het begin van de vreedzame opstanden tegen het regime inluidde, de slogan die de Syriërs de hele wereld in stuurden. Wahed, wahed, al Sh‘ab al Suri Wahed: Een, een, het Syrische volk is een.’

Ontluchting – tanfis
Er zijn mensen die beweren dat politiek-ritische series zijn toegestaan vanwege tanfis, ‘ontluchting’. Volgens Joubin komt dit idee uit de Syrische cultuur zelf en is het niet uitgevonden door westerse academici. ‘Er gebeurt niets in de Syrische cultuur zonder dat het op een of andere manier terugkomt in drama. Er zijn heel wat series die de draak steken met het idee van tanfis: een metafoor waarin het regime dramamakers toestaat om kritiek te leveren zodat de druk op het systeem afneemt en een revolutie wordt voorkomen. Dit frame is inmiddels achterhaald met de komst van de revolutie en de vrije mediakanalen.’

Pan-Arabisch
Joubin signaleert een pan-Arabische ontwikkeling waarin de Syrische makers voorop lopen.
‘Syrische scenarioschrijvers zijn vaak toonaangevend in de dramawereld in het Midden-Oosten. Dit komt omdat ze in veel gevallen zowel kunnen schrijven als acteren en regisseren. De pan-Arabische ontwikkeling ontstaat vaak door de Syrische inventiviteit en manifesteert zich bijvoorbeeld in nieuwe series waarin acteurs uit verschillende Arabische landen voorkomen en ieder in hun eigen dialect spreken in een denkbeeldige wereld. Syrische acteurs spelen seizoenen lang in populaire Egyptische producties. Ook is er een bloeiende samenwerking en coproductie tussen Libanese en Syrische makers. De Libanezen brengen het geld in en de Syriërs geven hun kennis door, de onderlinge competitie groeit en de Libanezen maken meer en meer eigen werk. De Syrische makers zijn beroemd om hun vermogen remedies voor maatschappelijke kwalen te vinden en weten die te vertalen in excellent drama. Tussen de regels door lezen is een kunst die iedere Syriër verstaat.’

Al Nadam (Spijt, 2016, geschreven door Hassan Sami Yusuf, regie door Laith Hajjo)

Toekomst
Hoe zullen mensen over twintig jaar terugkijken op deze tijd ?

‘Voor de opstanden werden huwelijks- en liefdesmetaforen gebruikt om indirect kritiek te leveren op het regime. De onderwerpen die nu aan de orde komen zijn complexer, vanuit meer perspectieven. Neem de rol van de vader: hij is niet alleen financieel en ethisch hoeder van de familie, en beschermer van de maagdelijkheid van zijn dochters, maar ook iemand die emotioneel aanwezig is. Makers hopen over twintig jaar een idee te krijgen wat er vanuit verschillende invalshoeken is gebeurd. Sommige schrijvers zijn gericht op het behoud van erfgoed en het creëren van een collectief geheugen voor de toekomst. De soapseries bieden een vorm van zelfreflectie en een netwerk dat Syriërs over de hele wereld bijeen brengt.

‘Ik heb geleerd dat de series voor elk wat wils bieden. Dit schept weer een levendige gemeenschap. In het westen wordt de Syrische cultuur te vaak gegeneraliseerd, alsof zij monolithisch is. ‘Alle vrouwen worden onderdrukt.’ Als je met een veroordelend frame kijkt, mis je veel. De Syriërs zijn zich bewust van hun eigen demonen. Dit biedt een opening in de diepte van hun ziel. Ze vragen zich constant af: Wie zijn we? Wat is onze erfenis? De overlevingsstrategie onder makers getuigt van een enorme creativiteit die  haar vorm vindt in bloeiende kunst.’

When the seed knows the soil: a Palestinian story about resilience and food

Several years ago, when visiting Dheisheh camp in Bethlehem as a translator for an international NGO, Vivien Sansour was served homemade spinach pies. The taste was very comforting and good, and Sansour was amazed to learn that the spinach had been home-grown in the unkind environment of the refugee camp. ‘How can something so delicious grow in a place with so much pain?’ she thought. It marked the beginning of Sansour’s investigation into ‘the food she came from’.

She discovered that at one time Palestinian farmers were producing food for the whole world, while at present they were often excluded from their land, not allowed to grow the seeds their families had used for centuries. In a way, Sansour connected with her own culture and heritage through these seeds. She collected varieties that were thousands of years old. She understood that those seeds thoroughly know the Palestinian soil. At a time and a place where farmers had become used to monocultures as well as limited access to their land and water resources as a result of the occupation, Sansour started collecting indigenous Palestinian seeds and founded the Palestinian Heirloom Seed Library. With this seed library she seeks to preserve and promote heritage and threatened seed varieties, traditional Palestinian farming practices, and the cultural stories and identities associated with them. Based in the village of Battir, a UNESCO World Heritage site outside Bethlehem, the seed library also serves as a space for collaboration with artists, poets, writers, and journalists to exhibit and promote their talents and work.

‘How can something so delicious grow in a place with so much pain?’

Working closely with farmers, Sansour has identified key seed varieties and food crops that are threatened with extinction and would provide the best opportunities to inspire local farmers and community members to actively preserve their bioculture and local landscape. The Palestinian Heirloom Seed Library is part of the global conversation on biocultural heritage. Its Traveling Kitchen is a mobile venue for social engagement in different Palestinian communities, promoting cultural preservation through food choices.

Resilience and love

Hanneke van Hintum discovered the world of food production and the immense challenges faced by farmers when she and Ruud Sies partnered with Koppert Biological Systems. Sies and Van Hintum developed Resilience Food Stories, a storytelling platform where they show the real people behind the global complexity of food production and give them a space to tell their stories, which are extraordinary, exciting, inspiring, instructive, moving, and funny.

Hanneke tells the story of the Romanian priest, whose wife asked him to get her some parsley from the supermarket. When he found himself in the supermarket with a plastic covered bunch of parsley that had traveled all the way from Italy to his village, he had a moment of epiphany: ‘I can grow this myself’, he thought. And so he did, and he grew much more. The village now produces its own food, free of chemicals and with lots of love. ‘At the theological institute, I learned that as a priest I should do good to people. Producing good food is the equivalent for me’ the priest-turned-farmer said.

Food production and agriculture do not always come with romantic stories. Food systems are political systems and, says Sansour, ‘we humans are a greedy species; we always want more.’ Massive production, be it organic or non-organic, usually means that fertile land is consumed by one crop, which kills the soil. Sansour: ‘Farmers used to be artists, working with the land, but now they are forced to follow the rules of food producers.’ Five companies in the world own 70% of the global seed market. And only seeds that are registered in the official catalogues can be put on the market. The registration process is costly and complicated. There are farmers with beautiful and healthy vegetables that cannot be sold in supermarkets, because the seeds are not officially registered.

‘Farmers used to be artists, working with the land, but now they are forced to follow the rules of food producers.’

The seeds are a key element in the stories. Van Hintum: ‘People are in awe of seeds. It is miraculous that old and forgotten seeds can grow into plants and food.’ And seeds need soil. If there is no land because it is occupied, used for buildings or solar energy ‘farms’, or when it is overtaken by huge monoculture production, people are excluded from producing their own food. In a way, growing your own food is a form of resistance. Sansour calls it agri-resistance, defying neo-liberal politics where everything is owned and has a price. ‘What is on our plates reflects our choices: what is it I am eating? How was it produced, how much water was used, and was anybody or anything hurt in the process?’

Both Sansour and Van Hintum agree that what the world needs is a food production system that is kinder to the planet. Their stories on the resilience food platform and the seeds in the seed library tell this message: the magic is in the seed; it gives us all we need.

For more on Vivien Sansour’s work, watch this short movie by Al Jazeera.

For resilience food stories from around the world, go to https://resiliencefoodstories.com/. After corona restrictions have been lifted, Van Hintum and her partner will travel to the Middle East and North-Africa to collect resilient food stories.

De giftige nasleep van het kalifaat

Zelfs in november is de zon meedogenloos heet in Noord-Irak. We leren er Hewan Omer kennen. Ze werkt als lokale manager van de Free Yezidi Foundation in het vluchtelingenkamp Khanke. Regelmatig moet ze in de schaduw bijkomen. Van de hitte, maar ook van opgehoopte frustratie. Ze loopt door het kamp waar 17.000 Jezidi’s al bijna zes jaar wonen – een van de vele kampen in de regio. Op 3 augustus 2014 veroverde IS het woongebied van de Jezidi’s in noordwest-Irak en richtte er een bloedbad aan. Vijftigduizend inwoners sloegen op de vlucht. Na al die jaren kunnen de meeste vluchtelingen nog steeds niet terug naar huis.

Het gebrek aan hulp zit Hewan erg dwars. ‘Het is nu zes jaar later, politici vergaderen erover, maar er gebeurt niets. Hoe lang zitten we hier nog vast? In de winter zijn er overstromingen, in de zomer is het verschroeiend heet, er zijn vaak branden en er is bijna geen werk. Deze tenten zijn niet gemaakt om jaren in te leven.’ De hopeloosheid blijkt ook uit toenemende zelfmoordcijfers.

Gevoegd bij al die ellende is de verbittering onder Jezidi’s over de lichte straffen die met name IS-vrouwen in Nederland tot nu toe hebben gekregen. Het is moeilijk om bewijs te verzamelen over wat de vrouwen precies hebben misdaan, en dus blijft de tenlastelegging vaak bepekt tot lidmaatschap van een terroristische organisatie. Dergelijke overwegingen zijn niet besteed aan Dalal Ghanim, een Jezidische farmaciestudente die met haar familie uit Irak naar Nederland vluchtte: ‘Twee jaar in een Nederlandse cel is een stuk comfortabeler dan zes jaar in een vluchtelingenkamp.’

Jezidi-kinderen in het kamp Khanke in noord-Irak. ©Orlastraz/Wikimedia

Appels en peren? Feit blijft dat de slachtoffers lijken te zijn ondergesneeuwd in het debat over de Nederlandse IS-vrouwen. En dat doet pijn. De Jezidi-gemeenschap voelt zich aan haar lot overgelaten. Het steekt dat IS-vrouwen terug kunnen naar Nederland als het ze lukt een consulaat in de regio te bereiken, terwijl de meeste Jezidi’s geen asiel krijgen. De situatie in Irak zou immers weer veilig zijn. Is dat ook echt zo? Het is maar hoe je het bekijkt, meent Dalal. ‘Op 2 augustus 2014 was de situatie ook veilig. Op 3 augustus werden duizenden mensen vermoord en ontvoerd. Dat kan zo weer gebeuren.’

De slachtoffers lijken te zijn ondergesneeuwd in het debat over de Nederlandse IS-vrouwen. En dat doet pijn.

Mensen denken volgens Dalal te gemakkelijk dat de wandaden jegens de Jezidi’s voorbije geschiedenis zijn. ‘Ze vergeten de gevolgen. In totaal hebben we het over een half miljoen vluchtelingen, die alles kwijt zijn. Er is een collectief trauma, en hulp blijft uit. De vrouwelijke Syriëgangers die wél terug kunnen krijgen na een relatief korte gevangenisstraf een normaal leven.’

Dalal heeft weinig begrip voor de kalifaatvrouwen die beweren dat ze niet hebben deelgenomen aan IS-wreedheden en daar soms niet eens weet van zouden hebben gehad. Weliswaar worden vooral mannen verantwoordelijk gehouden voor de gruwelen die namens het kalifaat werden gepleegd, maar vrouwen droegen hun steentje bij. Ze hielpen bij verkrachtingen, juichten mishandeling toe of maakten zich er zelf schuldig aan. Althans volgens getuigenissen van overlevenden en studies. ‘Ze zijn direct of indirect verantwoordelijk voor het faciliteren van de misdaden van IS,’ zegt Dalal. ‘Ik ken persoonlijk Jezidi’s die zijn ontvoerd en mishandeld door Europese uitreizigers. Naar getuigenissen wordt niet gevraagd.’

In Duitsland gebeurt dat wel, met onlangs het allereerste proces waarin een IS-man en zijn vrouw terechtstaan voor genocide en oorlogsmisdaden. Een Jezidi-vrouw die twee jaar door het stel werd gegijzeld, getuigt in de zaak.

‘Veel massagraven in de regio bevatten bewijsmateriaal’, zegt Amjad-Al Karaf, medeoprichter van een platform voor Jezidi’s, die in 2011 naar Nederland vluchtte. ‘Meer dan tachtig van die graven zijn in kaart gebracht, maar tot nu toe zijn er niet meer dan achttien geopend. We zijn bang dat bewijsmateriaal verdwijnt.’

Genoeg reden dus om passende berechting van Syriëgangers uiterst serieus te nemen. En het ontbreken van mogelijkheden daartoe in Nederland te zien als een zwaarwegend ethisch en juridisch bezwaar tegen repatriëring. Toch lijkt een kanttekening op zijn plaats. Misschien wel een hele reeks kanttekeningen.
Criminologe Marion van San, die onderzoek deed naar (de)radicalisering en daar een boek over schreef, verzet zich tegen het over één kam scheren van alle IS-vrouwen. ‘Het is geen homogene groep. Zijn ze allemaal medeplichtig? Absoluut. Veel IS-vrouwen die ik sprak hadden het vooral over zichzelf en niet over slachtoffers. Dat is tekenend. Maar ik weet niet op welke schaal ze betrokken zijn geweest bij de misdaden tegen Jezidi’s.’

De IS-vrouwen zaten volgens Van San veelal thuis. ‘Ik betwijfel of ze veel van het geweld met eigen ogen hebben gezien. Dat vertellen ze zelf. Maar ook als je het optreden van IS als beweging onder de loep neemt, blijkt dat vrouwen geen wapens kregen, behalve op het laatst. Je ziet hooguit een vrouw met een kalasjnikov op een foto, en dat was vooral propaganda. Voor IS lagen de taken van de vrouw thuis.’

‘Veel IS-vrouwen hadden het vooral over zichzelf en niet over slachtoffers. Dat is tekenend.’

Tom de Boer, die als advocaat optrad namens vrouwen die terugkeer naar Nederland eisten, zegt heel goed te begrijpen wat de Jezidi-gemeenschap dwars zit. ‘In het land waarnaar je bent gevlucht, wil je niet opnieuw oog in oog staan met iemand die het gedachtegoed aanhangt waaronder je zo hebt geleden. De vraag is echter of de vrouwen – die Nederlands zijn – het recht hebben terug te keren naar het land waarvan ze de nationaliteit bezitten? Ja, en dus zullen ze dat recht vroeg of laat opeisen.’

De Hoge Raad besliste niettemin anders: de Nederlandse regering hoeft zich niet in te spannen voor repatriëring. Dit arrest stuit De Boer vooral tegen de borst vanwege de kinderen van de vrouwen, die per definitie onschuldig zijn en in de kampen geen enkel perspectief hebben. ‘Elk ander Nederlands kind was allang terug geweest, maar het gevoel leeft in de samenleving dat zij hier niet horen.’

Dat de IS-vrouwen in Noord-Syrië in een penibele situatie verkeren, is door eigen verkiezing, stelt het Nederlandse kabinet. Bovendien vindt de regering het te gevaarlijk voor ambtenaren om de vrouwen en hun kinderen op te halen. Oorlogscorrespondent Hans Jaap Melissen, die de regio goed kent, bestrijdt dit: ‘De MIVD komt regelmatig langs om vrouwen te ondervragen. De Amerikanen zijn bovendien bereid te helpen bij repatriëring.’ Het Ministerie van Defensie wil niet op Melissens bewering reageren.

Het moet gezegd: bijna elk Europees land met Syriëgangers legt eenzelfde passiviteit aan de dag als Nederland. Uitzondering is het kleine Kosovo, misschien niet toevallig het enige Europese land met een in overgrote meerderheid islamitische bevolking. Anderhalf jaar geleden repatrieerde het met hulp van de Verenigde Staten ruim honderd IS-ers uit de Noord-Syrische kampen, vooral vrouwen en kinderen.

Zij, en strijders die eerder terugkeerden, werden onderworpen aan deradicaliseringsprogramma’s. Dat gebeurde bijvoorbeeld door het ‘Institute for Security, Integration and Deradicalization’. Opmerkelijk is dat het om een NGO van spijtoptanten gaat, dus om mannen die hun radicale verleden afzwoeren. Zoals mede-oprichter Arbër Vokrri (40), tegenwoordig arts, maar in zijn jonge jaren islamist.

Hij heeft begrip voor de angst om IS-ers terug te halen, zegt hij in een Zoom-gesprek vanuit de Kosovaarse hoofdstad Pristina. ‘Toch is repatriëring de beste optie. Terroristen vinden altijd de weg terug naar hun land als ze dat willen. Bovendien is het een morele plicht de kinderen te redden. Doe het anders uit eigenbelang: laat je het na, dan heb je de jihadi’s van morgen al gekweekt. Je verkleint het gevaar dat terugkeerders vertegenwoordigen door ze te deradicaliseren. Een voorwaarde is wel dat je daar veel tijd in stopt.’

©David Liuzzo

In Nederland bestaat de nodige scepsis rond de ‘deradicaliseringsindustrie’. De meeste Kosovaarse radicalen waren volgens Vokkri echter nog jong toen ze werden ‘gehersenspoeld door extremistische propaganda’. Dus zou je ze in principe weer kunnen deprogrammeren. ‘Hun kennis van religie is oppervlakkig. Waar ze vooral behoefte aan hebben is zingeving, een spiritueel houvast. Dat zocht ik zelf destijds ook. Probeer ze daarom niet met alle geweld van hun geloof af te brengen. Belangrijker is dat je ze het gevoel geeft van waarde te kunnen zijn voor een gemeenschap. Geef ze vooral ook iets te doen. En bedenk, ten slotte, dat deze investering zich kan terugverdienen: mensen die gederadicaliseerd zijn, willen heel graag ook anderen op het rechte pad terugbrengen.’

Skender Perteshi, expert van de Kosovaarse denktank KCSS (Kosovar Centre of Security Studies) zegt het clubje van Vokkri een warm hart toe te dragen (‘they’re friends’), maar heeft toch zijn bedenkingen. Religie speelt volgens hem wel een rol, maar geen hoofdrol bij deradicalisering. ‘Veel Syriëgangers kwamen uit criminele milieus en zijn voor hun recrutering individueel benaderd.’ Leveren ze bij terugkeer gevaar op? ‘Een klein percentage misschien, op de korte termijn. Uiteindelijk is niet terughalen gevaarlijker.’

Dan fronst hij zijn wenkbrauwen: ‘Laten we eerlijk zijn,’ zegt hij, ‘daarmee houden westerse regeringen zich toch helemaal niet bezig? Ze zijn gewoon bang dat terughalen stemmen kost. Hier in Kosovo zijn er nog zo veel méér problemen dat de kwestie lang niet zo’n heet hangijzer is.’

Beide Kosovaarse experts zijn het erover eens dat deradicalisering alleen kans van slagen heeft wanneer de eigen familie daarbij nauw wordt betrokken. Criminologe Van San onderschrijft deze visie, maar blijft somber over het effect van deradicalisering. ‘Je kunt er nog zoveel programma’s op loslaten, maar dat werkt niet als iemand zelf niet wil.’ Voor de kinderen is ze hoopvoller. ‘Met de juiste begeleiding krijgen ze hoogstwaarschijnlijk een vrij normaal leven.’

‘Laten we eerlijk zijn. Westerse regeringen zijn gewoon bang dat terughalen stemmen kost.’

Een ding lijkt vast te staan: in de Syrische kampen raken de vrouwen nooit uit de greep van IS, zelfs niet als ze dat werkelijk willen. In verband met haar onderzoek onderhoudt Van San contact met Belgische en Nederlandse kalifaatvrouwen. Een aantal kwam in Koerdische gevangenschap aanvankelijk redelijk gematigd over, maar doordat het uitzicht op terugkeer naar Nederland ontbreekt, verdampt vroeg of laat de motivatie om de beweging de rug toe te keren. ‘Ik wil mij niet meer aansluiten bij IS,’ zei een van hen tegen Van San, ‘maar in het kamp kan ik alleen zandhappen. Bij IS krijg ik tenminste brood.’

Y. Boechat (VOA/Wikimedia)

Het terughalen van de IS-vrouwen naar Nederland is dus ook in van Sans ogen uiteindelijk de minst slechte optie. ‘Ik kan niet uitsluiten dat ze een gevaar zullen vormen, maar hier kun je ze in ieder geval monitoren.’
Strafrechtadvocaat Tamara Buruma pleit eveneens voor repatriëring en berechting in Nederland. Waarom geen vervolging in Syrië en Irak zelf? Daaraan kleven ernstige bezwaren. De Syrische Koerden hebben de middelen niet, Irak is zeer kwistig met de doodstraf.

Bovendien, zo stelt Buruma, zal het verzamelen van bewijs overal moeilijk zijn. ‘Feit is,’ zo stelt ze, ‘dat vrouwen en onschuldige kinderen al langer dan drie jaar vastzitten zonder enige vorm van proces. De keus is dus niet tussen vervolging hier of vervolging daar, maar voor vervolging hier of geen enkele vorm van gerechtigheid. Niet voor de vrouwen, niet voor hun kinderen, en niet voor de Jezidi’s.’

Veel Jezidi’s hebben hun hoop gevestigd op een internationaal tribunaal, maar die is ijdel, meent Christophe Paulussen, senior onderzoeker bij het T.M.C. Asser Instituut (een kenniscentrum op het gebied van internationaal recht) en research fellow bij het International Centre for Counter-Terrorism – The Hague. ‘Dat kost allemaal tijd en geld, en er moet nú gehandeld worden. De kampen zijn lek, er verdwijnen steeds meer mensen onder de radar, een levensgevaarlijke situatie. Maak daarom gebruik van de middelen die je hebt: repatriëren en berechten.’

Dit is volgens Paulussen ook wat het OM en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid aanraden. ‘Maar de politieke wil ontbreekt. Politici zijn bang dat er een terreurdaad in Nederland wordt gepleegd onder hun bewindsperiode. Als ze er de komende jaren voor zorgen dat Nederland veilig is, zien ze hun taak als volbracht.’

Ter illustratie van de risico’s die een dergelijke kortzichtigheid met zich meebrengt haalt Paulussen een berucht voorbeeld aan uit een recent verleden: Camp Bucca in Irak, een gevangenis die de Amerikanen na hun invasie in 2003 hadden opgezet. Daaruit zijn de ISIS-netwerken voortgekomen. ‘Dus zeggen Amerikaanse experts nu: haal ze weg uit die kampen in Noord-Syrië, trek ze uit elkaar, je creëert een Bucca 2.0.’

Waarom een internationaal terrorismetribunaal geen haalbare kaart is? Dat zit hem al in de definitie van terrorisme: ‘Daarover is geen overeenstemming en dat is een enorm struikelblok,’ zegt Paulussen. Ook het Internationaal Strafhof, nota bene zetelend in Den Haag, biedt geen uitkomst. Syrië, bijvoorbeeld, is geen lid, en in dat geval is goedkeuring van de VN-Veiligheidsraad nodig. Die zal hoogstwaarschijnlijk uitblijven wegens een Russisch veto.

Is deelname van Syrië aan zo’n internationaal proces dan nodig? Paulussen meent van wel. Hij vindt het in ieder geval twijfelachtig om binnen de Syrische context alleen IS te berechten. ‘Dan laat je de misdaden van Assad buiten beschouwing, en die waren het talrijkst in de regio. Wanneer het uiteindelijke doel nationale verzoening is, kun je niet zo eenzijdig zijn.’

Waarom een internationaal terrorismetribunaal geen haalbare kaart is? Dat zit’m al in de definitie van terrorisme.

Volgens Tamara Buruma is het bovendien de vraag of de vrouwen om wie het gaat belangrijk genoeg zijn voor berechting door een internationaal tribunaal: ‘Dat richt zich enkel op grote vissen, zo leert de geschiedenis.’

Paulussen begrijpt dat de getraumatiseerde Jezidi’s zich niet kunnen neerleggen bij de lichte Nederlandse straffen. Hij signaleert echter een hoopgevende ontwikkeling: ‘Europese landen experimenteren gezamenlijk op het gebied van oorlogsrecht. Aanklagers keken in het verleden vaak alleen naar IS-lidmaatschap, want dat was de snelste en eenvoudigste manier om tot een veroordeling te komen. Sinds kort zie je in Europa dat het OM op grond van bepaald bewijs verschillende aanklachten formuleert. Een foto van een strijder die poseert bij een lijk toont niet alleen lidmaatschap van een terreurorganisatie aan, maar is ook een oorlogsmisdaad. Zo kun je de straf opkrikken.

Wellicht nog belangrijker is dat er door deze werkwijze steeds meer gekeken wordt naar specifieke daden en niet enkel naar algemene aanklachten. ‘Dat is ook voor de slachtoffers van belang, want die willen uiteindelijk weten wat er precies met hun naasten is gebeurd’, aldus Paulussen.’

Al enige tijd bestaat er een Europees netwerk van officieren van justitie dat zich bezighoudt met genocide, misdaden tegen de mensheid, en oorlogsmisdaden. Steeds intensiever onderzoekt dit ‘genocide network’ hoe aan terreurzaken andere aanklachten kunnen worden gekoppeld, waardoor een straf hoger uitvalt.
De slachtoffers van IS hoeven de hoop op passende berechting in Nederland dus niet op te geven. Mits Den Haag in beweging komt. Want anders valt er helemaal niets meer te berechten. Dat is de wrange conclusie.

De Libanese vallei die in opstand kwam, of: hoe milieuactivisten het corrupte gezag tartten

Van 2014 tot de zomer van 2020 speelde Paul Abi Rached een hoofdrol in een reeks van protesten tegen dammen, die culmineerden in een campagne tegen de bouw van de dam in de Bisri-vallei. Hoewel de dam door de overheid als oplossing voor de watertekorten in Beiroet werd gepresenteerd, zou hij volgens veel experts schadelijk zijn voor het milieu. Het project zou landbouwgrond, archeologische vindplaatsen en bestaansmiddelen van de lokale bevolking vernietigen en het risico op een aardbeving vergroten. Afgelopen februari deelde Paul tijdens een online evenement met het Green MENA Network zijn ervaringen met de ‘Save the Bisri Valley’ -campagne. Gepassioneerd zette hij uiteen hoe de campagne een succes werd.

Bisri-vallei

De Bisri-vallei is een mooie, brede en vruchtbare vallei in Zuid-Libanon. Hij bestaat voornamelijk uit weilanden, natuurlijke vegetatie, rivierland en dennenbossen. Op slechts één hectare (0,2%) van het hele gebied staan gebouwen, de rest is natuur. Veel trekvogels vinden hier een rustplaats. De Bisri-vallei heeft een rijke historie: hij lag op de oude handelsweg die Sidon met Damascus verbond, en die deel uitmaakte van de Zijderoute. De vallei ligt bezaaid met Romeinse ruïnes, ook vind je er de Mar Mousa-kerk en zo’n 75 andere archeologische bezienswaardigheden.

Water

Het idee voor een dam in Bisri Valley is niet nieuw: het Amerikaanse Bureau of Reclamation stelde het al in 1953 voor. Maar het werd pas menens toen het Libanese Ministerie van Energie en Water in 2010 een nieuwe nationale strategie voor water ontwikkelde. Die omvatte onder meer een dam in de Bisri-vallei, aan de Bisri-rivier tussen de Chouf- en Jezzine-regio’s, 395 meter boven de zeespiegel. De dam zou een opslagcapaciteit van 125 miljoen kubieke meter water hebben, de op een na grootste van het land. Doel van het project was om drinkwater te leveren aan de regio Groot-Beirut en om 11,2 MW aan waterkracht op te wekken.

Het Bisri-project was niet de enige dam die de Libanese regering had gepland. Eerder werd de lokale bevolking al opgeschrikt door allerlei activiteiten in het dorp Janneh, zoals boren en het omzagen van bomen. En er kwamen dammen in Balaa, in Hammana, Brissa en in Mseilha. Milieugroeperingen en lokale bewoners namen samen een reeks initiatieven met een gemeenschappelijke slogan: ‘Nee tegen willekeurige dammen’ (#NoDam #SaveLebanon). Paul legt uit: ’We hebben de ecologische en economische kosten van de dammen aan het licht gebracht. Wij milieuactivisten willen niet alleen mooie plekken beschermen, we geven ook ruchtbaarheid aan dit soort schadelijke projecten. Het punt is dat ze niet legaal zijn, aangezien er geen milieueffectstudies zijn uitgevoerd.’

Overheid en Wereldbank

In november 2015 kwam het parlement (dat zijn termijn onrechtmatig had verlengd in een periode dat Libanon geen president had, maar dat is een ander verhaal) bij elkaar om overeenstemming te bereiken over een ​​lening van de Wereldbank voor het Bisri-damproject. Omdat dit niet de eerste dam in Libanon was, was er tegen die tijd een wijdverspreid besef van de impact op de natuur en op de lokale bevolking. De campagnes tegen de Janneh-, Balaa-, Mseilha-projecten waren niet succesvol, maar kregen wel brede aandacht in de media en bij sociale media. ‘We namen een beslissing’, zegt Paul. ‘Alle mensen uit Janneh, Balaa, Bisri, Dannaiye en de aangrenzende regio’s kwamen samen om onze opties te bespreken. Na al deze mislukkingen lag er nu een plan voor een dam in Bisri. Wat moesten we doen?’

Paul Abi Rached met megafoon

In juli 2017 troffen de activisten voor het eerst werknemers van de Wereldbank in Libanon. Er  werd een videoconferentie belegd met Libanese experts en deskundigen van de Wereldbank. ‘We hebben niet alleen aan demonstraties en petities gedaan, snap je,’ zegt Paul. ‘We begonnen een dialoog. Over de vele redenen waarom de dam een ​​slecht idee was, zowel economisch als geologisch. We vroegen of ze alternatieve mogelijkheden hadden verkend. Dit alles hebben we  besproken met de experts van de Wereldbank.’  In augustus 2018 dienden de activisten een klacht in tegen de Wereldbank en in oktober 2018 kwam het inspectiepanel van de Wereldbank naar Libanon, maar dit leidde niet tot een wijziging van de plannen. Het project werd niet geannuleerd.

De druk op de activisten nam toe. Paul: ‘Toen besloten  wij, milieuactivisten, dat er een campagne moest komen buiten de milieubeweging. Een grotere campagne, waar ook oppositiepartijen, experts en andere belanghebbenden bij betrokken waren. Hier begon ‘Save the Bisri Valley’.’

Het spandoek van de campagne werd een bekend beeld dat bij veel protesten te zien was. Er werd een campagneliedje gecomponeerd en de groepen startten een petitie die in november 2018 door 140.000 mensen was ondertekend. Desondanks begonnen aannemers in februari 2019 met het opzetten van containers in de Bisri-vallei.

Flyer waarin alternatieven voor de dam worden beschreven

Gedurende 2019 waren er elke week demonstraties. Paul en zijn collega Roland Nassour werden uitgenodigd in Irak voor een bijeenkomst van milieugroeperingen vanuit de hele wereld, georganiseerd door mensen van de ‘Save the Tigris’ -campagne. De Bisri-campagne werd opgepakt door internationale media en door organisaties zoals International Rivers. Het droeg allemaal bij aan toenemende druk op de publieke opinie, het parlement en de Wereldbank. ‘Misschien’, zegt Paul, ‘maakte de Bisri-campagne de weg vrij voor de landelijke revolutie die begon in oktober 2019, toen grote menigten eisten dat politici zouden aftreden.’

Tegen 2020 begon de stemming eindelijk te veranderen bij de beleidsmakers en de financieringsinstellingen. Sommige politieke partijen gingen de Save the Bisri Valley campagne steunen. De Wereldbank verzocht de regering om de dialoog aan te gaan met het maatschappelijk middenveld en met de lokale bevolking van Bisri Valley. Maar de activisten wilden het ministerie van Water en Energie niet langer ontmoeten en de dialoog mislukte.

In juli gingen de demonstraties door. Toen op 4 augustus de haven van Beiroet voor een groot deel explodeerde, droeg dit bij aan de enorme woede van de Libanese burgers over het gebrek aan professionaliteit binnen de ministeries en de openbare instellingen. Als het leiderschap deze hoeveelheid chemicaliën niet zou kunnen beheren, hoe zou het dan de bouw van een dam kunnen controleren die honderdvijf miljoen kubieke meter water bevat en zich over een geologische breuklijn uitstrekt?

De Libanese diaspora in Amerika, Duitsland en Afrika steunde de campagnes en zette de Wereldbank onder druk om de financiering stop te zetten. De Groenen in het Duitse parlement hebben de Duitse regering gevraagd om geen Duits geld beschikbaar te stellen voor de financiering van de Bisri-dam via de Wereldbank.

Alle inspanningen wierpen uiteindelijk vruchten af. Op 5 september 2020 besloot de Wereldbank een definitief om de lening stop te zetten:

Beiroet, 5 september 2020 – De Wereldbank heeft vandaag de Libanese regering op de hoogte gebracht van haar besluit om de niet-uitbetaalde fondsen in het kader van het Water Supply Augmentation Project (Bisri Dam Project) te annuleren wegens niet-voltooiing van de taken die noodzakelijk zijn voordat er kan worden begonnen met de bouw van de Bisri-dam.

Het geannuleerde deel van de lening bedraagt 244 miljoen Amerikaanse dollar en de annulering is onmiddellijk van kracht.

(de volledige tekst van de verklaring is hier te vinden).

Wat maakt een campagne succesvol?

De ‘Save the Bisri Valley’ -campagne is een leerzaam voorbeeld van campagnevoeren tegen milieuonrechtvaardigheid. De campagne had de volgende belangrijke elementen:

Samenwerking:

De campagne was een gezamenlijke inspanning van lokale en nationale bewegingen en initiatieven. Lokale, nationale en internationale activisten slaagden erin één consistente boodschap uit te dragen, en dat was zeer effectief.

Multidisciplinaire en inclusieve aanpak:

De betrokkenheid van experts, specialisten en advocaten hielp bij het analyseren en bespreken van de zaak vanuit verschillende invalshoeken (ecologisch, economisch, geologisch, historisch, cultureel, legaal), bovendien in samenspraak met de lokale bevolking en mensen die al generaties lang in het gebied wonen en werken.

Multisectoriële activiteiten:

De campagne richtte zich tot de publieke opinie, parlementsleden, relevante ministeries, maar ook tot de (internationale) financieringsinstellingen en zelfs politieke partijen in Europese landen.

Geduld en timing:

De campagne werd ontwikkeld in een tijd waarin de milieubeweging zich erg gefrustreerd voelde nadat campagnes tegen andere damprojecten waren misluk. De campagneboodschap vond weerklank door de wijdverspreide woede onder Libanezen over corruptie en slecht leiderschap, wat bleek toen de volksrevolutie in oktober 2019 ontvlamde. Tegelijkertijd is het uiteindelijke succes ook te danken aan het geduld en de volharding van de activisten.

Materiaal:

Een vaste fotograaf maakte deel uit van de campagne en legde alle activiteiten vast. Er werden flyers, brochures en foto’s gedeeld waarin werd uitgelegd wat er op het spel stond, alternatieve oplossingen werden voorgesteld en er werd opgeroepen tot actie. Dit was belangrijk, als informatiebron om de boodschap van de Wereldbank (die uiteraard meer geld heeft te besteden aan PR en communicatie) tegen te gaan. De banner ‘Save the Bisri Valley’ werd gedragen bij elke protestactiviteit in het land, en werd een bekend beeld in de hoofden van mensen.

Gepassioneerde campagneleiders en veel vrijwilligers

Paul: ‘Ik moet de duizenden burgers bedanken die hebben geholpen het damproject te stoppen.’ Volgens hem waren vrouwen de speerpunt van de beweging. ‘Wij, de mannen, deden de verdediging, het waren de vrouwen die naar voren gingen om zich tegen dit project te verzetten.’

  Hier de volledige presentatie van Paul in het Arabisch

bekijken op ons YouTube-kanaal.

Het ongeplaveide pad naar politieke emancipatie voor Palestijnse vrouwen

Je zou kunnen denken dat Palestijnse vrouwen geen hulp nodig hebben. Die zullen nu vast geëmancipeerd zijn. Helaas, ondanks al die vastberadenheid, staan ze politiek nog steeds niet sterk in hun schoenen. Vrouwen hebben nog een lange weg te gaan voordat ze échte macht hebben in de samenleving. Die weg bestaat uit drie stappen: Keuze, Stem, en Participatie. Voordat vrouwen een gelijke machtspositie in de politiek kunnen krijgen, moeten zij als gelijk worden gezien door hun samenleving. Dat houdt in dat zij van dezelfde burgerlijke vrijheden mogen genieten als mannen en dat zij het vermogen hebben om zelfstandig belangrijke keuzes te maken. Pas als het speelveld gelijk is kunnen vrouwen een grotere invloed hebben op de politiek door hun stem te laten horen, wetende dat er daadwerkelijk naar geluisterd wordt. Zo bereiken vrouwen wat velen het ‘hoogtepunt’ van politieke emancipatie noemen, namelijk participatie op alle niveaus van de politieke samenleving.

Keuzes

De eerste stap op het pad naar politieke emancipatie, is zelf keuzes kunnen maken. Dit is belangrijk omdat je dan controle hebt over belangrijke sectoren van jouw dagelijks leven. In het westen gaat deze cruciale stap vaak onopgemerkt voorbij, maar het is in feite de sleutel voor onze vrijheid. Eén van de jonge vrouwen met wie ik sprak vertelde het verhaal van haar schoolvriendin, een intelligent en sociaal meisje. Maar toen ze eenmaal afgestudeerd was, werd ze uitgehuwelijkt aan een uiterst conservatieve man die haar verbood het huis te verlaten zonder zijn toestemming. Dat betekende niet alleen het einde van hun vriendschap, maar ook het einde van de politieke emancipatie van die jonge en intelligente vrouw. Hij ontnam haar namelijk het vermogen om haar eigen beslissingen te nemen waardoor ze machteloos werd over haar eigen leven.

Hoe kunnen we immers van een Palestijnse vrouw verwachten dat ze keuzes maakt voor haar samenleving terwijl ze geen keuzes mag maken voor zichzelf? Het vermogen om beslissingen te nemen maakt het mogelijk voor vrouwen om te beginnen aan het pad naar politieke emancipatie.

Protest op International Women's Day. De tekst op het bord: 'Meneer de president, u tekende het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Wat nu?!'

Stem

In het politieke spel van ‘wie krijgt wat, waar en hoe’ kun je niet winnen zonder je stem te laten horen. Zo kun je namelijk je belangen kenbaar maken en daarnaar handelen. Daarom is een sterke stem de essentiële volgende stap om Palestijnse vrouwen de emanciperen in de politiek. Helaas is ‘je stem laten horen’ veel makkelijker gezegd dan gedaan. In Nederland worden vrouwenkwesties zoals het recht op abortus en vrouwelijke vertegenwoordigers in de politiek openlijk besproken. In de conservatieve Palestijnse samenleving, daarentegen, worden de belangen van vrouwen vaak gedegradeerd tot de privésfeer. Hierdoor wordt de stem van Palestijnse vrouwen ingeperkt en krijgen hun belangen moeilijk aandacht in de publieke en politieke samenleving. Gelukkig hebben maatschappelijke organisaties de macht om deze kloof tussen privé en publiek te overbruggen. En in Palestina doen ze dat goed.

De directrice van het Palestinian Center for Peace and Democracy (PCPD) omschrijft de rol van haar organisatie als een middel om ‘van het persoonlijke een politieke kwestie te maken’. Haar organisatie kaart de belangen van Palestijnse vrouwen aan waardoor ze meer aandacht krijgen in de politiek. Dat doen ze onder andere door het creëren van een veilige ruimte waar vrouwen die zogenaamde ‘persoonlijke’ kwesties kunnen bespreken met andere vrouwen. Ook organiseren ze workshops voor vrouwen en jongeren om hun politieke vaardigheden te ontwikkelen zodat ze een actievere rol kunnen spelen in de politiek. Zo vindt een jonge vrouw die meedoet aan het Feministische Forum van de PCPD dat de organisatie fungeert als een oefenveld voor het echte spel van de politiek.

Naarmate meer vrouwen de vaardigheden beschikken om hun stem laten horen, zullen hun politieke belangen duidelijker worden en kunnen zij daar beter naar handelen. Zo spelen maatschappelijke organisaties zoals de PCPD een cruciale rol in het politiek emanciperen van Palestijnse vrouwen.

Politieke participatie

De politieke participatie van vrouwen wordt over het algemeen gezien als de piek van hun politieke emancipatie. Dat wordt vaak gemeten door de hoeveelheid vrouwen die regeringsfuncties hebben. Uit mijn onderzoek blijkt dat hoewel dit een goede maatstaf is voor politieke participatie, het vrij weinig zegt over de politieke emancipatie van de gemiddelde vrouw.  De Palestijnse vrouwen met wie ik sprak vonden dat, hoe inspirerend de rol van een vrouw als Dr. Mai al-Kaileh (minister van Volksgezondheid) ook mag zijn, het weinig impact heeft op hoe geëmancipeerd zij zich voelen.

Slechts drie van de vierentwintig ministers zijn vrouw, en één van hen krijgt altijd de stereotype portefeuille van ‘Women’s Affairs’. Hoewel deze drie vrouwen zich zeker geëmancipeerd mogen voelen, is hun deelname aan de politiek niet meer dan een mooi symbool voor de alledaagse Palestijnse vrouw. Het is dus tijd om politieke emancipatie op een andere manier te meten dan aan de hand van de deelname van elitevrouwen in de politiek.

Kort samengevat: Palestijnse vrouwen moeten nog wat meters maken op hun pad naar politieke emancipatie. Vrouwen moeten gesteund worden in het ontwikkelen van hun vermogen om keuzes te maken, het consolideren van hun burgerlijke vrijheden, en het laten horen van hun stem. Politieke emancipatie is dus een complex proces en moet ook zo behandeld worden. Daarom is het niet zo eenvoudig als het toevoegen van een paar extra vrouwen in het kabinet. En zeker niet als ze altijd maar de portefeuille van ‘Women’s Affairs’ krijgen. Daarom, hoe hoopgevend de aankomende verkiezingen in Palestina lijken te zijn, zij zullen niet doorslaggevend zijn voor de politieke emancipatie van vrouwen. Onze focus hoort in plaats daarvan te liggen op de lokale maatschappelijke organisaties die vrouwen dagelijks steunen in het versterken van hun keuze, stem, en, uiteindelijk politieke participatie.

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.