In beeld: bakkers in Palestina

De bakkerijen zijn van vader op zoon doorgegeven. De bakkers gebruiken geen conserveringsmiddelen en de ingrediënten, zoals munt, za’atar, dadels, amandelen, sesamzaad en olijfolie, zijn kakelvers. De aangeboden hoeveelheden zijn in onze ogen gigantisch. Maar de grote Palestijnse gezinnen kijken niet op van een paar koekjes. Wie een pondje bestelt wordt meewarig aangekeken, uitgelachen en krijgt het soms gratis mee, want de prijzen liggen laag. De meeste recepten dateren van eeuwen terug. Wie zijn zintuigen goed gebruikt, waant zich aan de tafels van de sultans en kaliefen uit de vertellingen van Duizend-en-een-nacht.

 

 

Syrische vrouwen bouwen aan een nieuw leven in Turkije

“Vijf jaar geleden sloegen we op de vlucht. Samen met mijn man en drie kinderen” vertelt Daniell. Hier in Sultanbeyli, een conservatieve voorstad van Istanboel met 300.000 inwoners en 20.000 Syriërs, vonden ze een veilig heenkomen en probeerden ze een nieuw leven op te bouwen. Makkelijk ging dat niet. In een vreemd land met een vreemde taal. “In Syrië zat ik tot mijn negende op school. Nooit had ik een baan”. Moeder was ze al toen ze 19 was. “Eerst een tweeling, jongens. Het jaar daarop een dochter. Mijn ene zoon heeft medische klachten, die zit thuis. De andere werkt in een textielfabriek en spreekt goed Turks.” Zelf verdiende Amal ook geld door van huis uit kleding te verkopen. Daarvan kon ze 3.000 euro sparen. Samen met haar neef, die ook 3.000 euro inlegde, begonnen ze hun eigen modezaak, met bruidsjurken en trouwartikelen als specialisme. Op de eerste verdieping hebben ze tevens een ruime schoonheidssalon.

“Om alle Turkse vergunningen te regelen, kregen we hulp van Abdullah, een jonge Syriër die werkt op het kantoor van United Work in onze wijk”, zegt Amal. United Work is een Nederlandse NGO die sinds 2017 als arbeidstoeleidingsorganisatie werkzoekende Syriërs met recruitment, trainingen, werkvergunningen en andere faciliteiten helpt een legale en duurzame baan te vinden. Zo hielpen zij mensen aan een baan bij Turkse bedrijven, maar ook bij Nederlandse vestigingen in Turkije zoals de Rabobank, C&A, en Vanderlande. Andere buitenlandse ondernemingen zoals Vodafone, H&M, en Puma zijn ook onder de deelnemende bedrijven. Tot nu hebben ruim 2050 vluchtelingen op deze manier legaal werk gevonden. Bijna de helft van deze banen zijn in de textielsector, maar ook in hotels, bedrijven die gezondheidstoeristen naar Turkije halen en bedrijven in sectoren als landbouw en logistiek zijn mensen tewerkgesteld.

Syriërs op de Turkse arbeidsmarkt

Opvallend is het grote aantal Syrische vrouwen dat via United Work op de Turkse arbeidsmarkt aan de slag kon. “Dat is in meerdere opzichten bijzonder”, zegt directeur Enis Kösem. “Veel vrouwen uit het conservatieve Syrië zijn laag opgeleid en slechts 5,6 procent van hen werkte vóór de oorlog in Syrië”. Volgens cijfers van de Turkse overheid is maar 0,45 procent van de Syrische vrouwen legaal aan het werk. Het percentage vrouwen dat met bemiddeling van United Work aan een baan en een werkvergunning kwam is veel hoger, namelijk ruim 9 procent.

Fidan Zeino (21) is een van hen.  Als kwaliteitscontroleur staat ze kledingstukken als T-shirts, sweatshirts, jeans, overhemden, en colbertjes te sorteren. Als enige vrouw tussen de mannen. “Dat is geen probleem”, zegt ze met een verlegen glimlach. “Ik hou van mijn werk hier. Hiervoor werkte ik bij twee textielbedrijven en in een fabriek voor plastic artikelen. Allemaal betaalden ze me zwart. Ik moest twaalf uur per dag werken, zes dagen per week, voor 1.000 Turkse lira (160 euro) per maand”. Dat was een derde onder het minimumloon en exemplarisch voor de uitbuiting door veel Turkse werkgevers van deze kwetsbare groep ontheemden die als zwartwerkers geen enkel recht en geen verzekering tegen ziekte of werkloosheid hebben. Fidan verdient in haar huidige baan het sinds kort opgetrokken minimumloon van 2.020 TL (325 euro) en ze werkt tien uur per dag en vijf dagen per week. De werkgever betaalt ook de sociale premies. “Alles gaat hier volgens de regels, want behalve voor Turkse merken leveren we ook aan internationale brands als Zara en Street One”, zegt personeelsmanager Hasan Demirel. “We hebben negen Syriërs aan het werk, acht mannen en een vrouw. United Work zorgt dat ze een werkvergunning krijgen en traint hen”.

Ook Miryam Abdullah (34), een alleenstaande moeder met drie kinderen, vond via de Nederlandse NGO legaal werk. “Bij een vleesverwerkingsfabriek voor het minimumloon. Samen met vier collega’s sta ik in een gekoelde ruimte aan de lopende band waarop verpakt lams- en rundvlees voorbijkomt.” Het liefst zou ze naar Nederland gaan. “Mijn man is met smokkelaars naar Griekenland gegaan. Nu woont hij in Apeldoorn. Door allerlei bureaucratische problemen kunnen wij niet naar hem toe”.

Ook Miryam Abdullah (34), een alleenstaande moeder met drie kinderen, vond via de Nederlandse ngo legaal werk in Istanboel.

De mogelijkheid van terugkeer

Uit peilingen blijkt dat ongeveer de helft van de Syrische vluchtelingen Turkije niet wil verlaten. Amal Daniell van modezaak Masaya is een van hen. “Ik heb hier een goede zaak opgebouwd. Ik wil hier blijven”. Maar bijna negen op de tien Turken vindt dat de vluchtelingen moeten worden teruggestuurd zodra de oorlog voorbij is. Volgens velen is het enorme aantal Syrische vluchtelingen medeschuldig aan de economische crisis en de oplopende werkloosheid van 13,5 procent. Oppositieleider Kemal Kılıçdaroğlu windt er geen doekjes om. “De regering heeft 35 miljard dollar uitgegeven aan Syrische vluchtelingen. Met dit geld hadden we de werkloosheid kunnen voorkomen door stuwdammen en fabrieken te bouwen. Zo zouden duizenden landgenoten niet langer honger hoeven lijden”.

eigenaresse Amal Daniell (37) van modezaak Masaya (De Avonden).

Een massale terugkeer van Syriërs naar hun vaderland is binnen afzienbare tijd niet te verwachten. De oorlog is nog niet voorbij. Veel wat ze hebben achtergelaten, ligt in puin. En ook al komt er politieke oplossing aan het eind van de burgeroorlog, dan nog willen velen niet terug zolang de Assad-familie aan de macht is. Tot die tijd blijft het door Nederland en de overige EU-lidstaten gepropageerde beleid van ‘opvang in de regio’ het minst slechte alternatief. Dat beleid komt voort uit de in de lente van 2016 gesloten vluchtelingendeal tussen de EU en Turkije over het ontmoedigen van illegale migratie via de Egeïsche Zee naar Griekenland. Brussel beloofde president Erdogan zes miljard euro voor het verbeteren van de opvang van de Syrische vluchtelingen, en drong er bij Ankara op aan Syriërs werkvergunningen te verstrekken.

De EU stelde Turkije visumvrij reizen en een uitbreiding en modernisering van de in 1996 van kracht geworden douane-unie tussen de EU en Turkije in het vooruitzicht. Een uitbreiding van de handelsbetrekkingen zal nieuwe kansen creëren voor bedrijven uit Europa in de agrovoedings- en dienstensector, alsmede op de markt voor overheidsopdrachten. Doordat Ankara de rechtsstaat en de democratie steeds verder uitholt na de mislukte staatsgreep in 2016 zijn reizen zonder visum en uitbreiding van de vrijhandel op de lange baan geschoven. Mensensmokkel in gammele bootjes naar Griekse eilanden als Kos, Samos en Lesbos nam wel drastisch af, met 96 procent. In 2018 daalde het aantal tot 32.864 van bijna 856.000 in 2015. Slechts 157.515 van de ruim 3,6 miljoen geregistreerde vluchtelingen leven in kampen. De overgrote meerderheid streek neer in steden als Istanboel, Ankara, Izmir, Bursa, Urfa, Gaziantep, Reyhanli en Hatay.

Ongeveer de helft van de 2,1 miljoen volwassen Syriërs is aan het werk. Bijna allemaal zwart. De Turkse overheid is karig met het afgeven van werkvergunningen. Nog geen 1,5 procent van de Syrische beroepsbevolking, zo’n 28.000, werkt legaal. Dat via het Nederlandse initiatief United Work tot nu toe 2.050 vluchtelingen legaal werk hebben gevonden, lijkt misschien een druppel op de gloeiende plaat. Maar voor Amal, Fidan, Miryam, en al die anderen heeft de Nederlandse steun een positieve wending gegeven aan hun leven als vluchteling in Turkije.

Stad van Twee Lentes: een inkijkje in de wederopbouw van Mosul na IS

Ala, tien jaar oud, is het stralende lichtpunt van de documentaire “Stad van Twee Lentes”, 22 april om 21:00 uur bij BNNVara op NPO2 wordt uitgezonden. Ze staat, volgens makers Frederick Mansell en Laurens Samsom symbool voor de veerkracht van de Irakese bevolking. De film geeft een bijzonder inkijkje in het Irak van na Islamitische Staat. Nu Mosul bevrijd is, kunnen de burgers die het gebied zijn ontvlucht  langzamerhand terugkeren en wordt er gewerkt aan wederopbouw. Te midden van het voortdurende gezoem van de metaaldetectoren, die speuren naar de nog steeds wijdverspreide explosieven, worden er nieuwe verkeerslichten opgehangen, gaan kinderen weer naar school en zijn ouders naarstig op zoek naar werk.

Naast Ala en haar familie, volgden de makers ook Lise Grande, vertegenwoordiger van de Verenigde Naties, en  Jan Waltmans, de Nederlandse ambassadeur in Irak. We zien bijvoorbeeld hoe Grande zich buigt over de vraag hoe burgers op een veilige manier Mosul weer in kunnen en Waltmans wordt gevolgd tijdens een bijeenkomst met studenten van de universiteit van Mosul. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoe hun bezigheden afsteken tegen het leven van de gewone Irakees. Waltmans snijdt tijdens een politieke bijeenkomst een extra groot stuk taart aan, terwijl de familie van Ala droog brood eet in een huis met meubels noch elektriciteit. Ook de comfortabele huizen van de diplomaten staan in schril contrast met het leven van de familie, die overweegt de eigen matrassen te verkopen om het levensonderhoud te kunnen blijven voorzien.

Hiermee leveren de makers impliciet toch best stevige kritiek op de rol van de internationale gemeenschap in Irak – al zal niet iedere kijker zal deze onderliggende boodschap waarschijnlijk oppikken. Enige achtergrondkennis van de desastreuze effecten van Westerse bemoeienis met Irak is nodig om de kritiek in perspectief te plaatsen. De mooie belofte van de Amerikaanse VN-vertegenwoordigster Grande om zevenhonderd miljoen dollar te steken in de wederopbouw van Irak krijgt een vieze bijsmaak wanneer men bedenkt dat de verwoesting van het land grotendeels het gevolg is van Amerikaanse bombardementen in de jaren negentig, de voortdurende sancties van de VN in dezelfde periode en uiteraard de Amerikaanse inval van 2003. We zouden zelfs terug kunnen grijpen op 1916, toen de Britten Bagdad veroverden op de Ottomanen. Toen al beloofde een Westerse macht het volk te bevrijden van zijn onderdrukkers.

Met dit in gedachten is ook het einde van deze documentaire veelzeggend. Waltmans vertrekt naar Beiroet voor zijn volgende diplomatieke betrekking. Grande stapt op het vliegtuig naar Jemen om weer een ander conflict in het Midden-Oosten aan te pakken. In Mosul gaat het leven voor de gewone Irakees verder. Ala en haar vader kopen de eerste planten voor hun tuin en de groene stekjes beginnen voorzichtig te groeien in een voor de rest dor landschap.

Stad van Twee Lentes wordt uitgezonden op 22 april om 21:00 uur bij BNNVara op NPO2

Ja, ook in Koeweit is Tinder een ding

In een land dat traditioneel gezien niet echt een datecultuur kent, is Tinder een nieuwe oplossing voor een eeuwenoud probleem: waar ontmoet je een potentiële partner? In Nederland ontmoeten veel mensen hun geliefde op school of tijdens de studie, maar dat is nauwelijks een optie als het onderwijs grotendeels gescheiden is. Als alternatief kun je hier naar een club of café gaan om mensen te ontmoeten, maar ook dat is geen mogelijkheid in een land zonder een echt uitgaansleven. Online initiatieven zoals Couchsurfing of Meetup stellen mensen wel in staat om bijeenkomsten te organiseren waar geïnteresseerden van beide geslachten bij elkaar kunnen komen. Maar als je het lot een handje wil helpen, dan is Tinder dus ook een optie.

In Koeweit, waar het aantal mannen bijna twee keer zo groot is als het aantal vrouwen, is er nooit een tekort aan aandacht voor vrouwelijke expats – of dat nou op Tinder is of daarbuiten. Ik heb in ieder geval nooit iets te klagen gehad hierover, en wellicht is dit een van de vele redenen waarom ik zo graag in Koeweit kom. Tijdens mijn stageperiode in Koeweit (2014) had ik in ieder geval geen directe noodzaak om een Tinderaccount aan te maken. Maar omdat ik steeds hetzelfde antwoord op mijn vraag ‘waar ontmoet je toch locals in Koeweit?’ ontving, heb ik de laatste keer met frisse tegenzin toch maar eens Tinder gedownload.

Het leven zit vol verrassingen, en dit geldt bij uitstek voor Tinder in Koeweit. In een land waar intieme relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht illegaal zijn, waren er op Tinder verdacht veel vrouwen die andere vrouwen willen ontmoeten. Allemaal op zoek naar een nieuwe beste vriendin om mee te gaan winkelen? Het zou zomaar kunnen! En ook, wat belachelijk veel extreem knappe mannen. Zelfs als je degenen negeert die pronken met hun veel te afgetrainde lichaam (teveel op zichzelf gericht) of hun auto (in een land waar iedereen een Porsche of Ferrari rijdt kan ik het wel waarderen als mensen dat juist niet doen), bepaalde nationaliteiten waar je meerdere slechte ervaringen mee hebt gehad of waar je gewoonweg niet geïnteresseerd in bent, zelfs dan is er een enorme hoeveelheid potentiële matches. En allemaal tall, dark and handsome, uiteraard. Hoewel ik eerlijk toegeef: na een half uur swipen beginnen alle mannen op elkaar te lijken.

In een land waar intieme relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht illegaal zijn, waren er op Tinder verdacht veel vrouwen die andere vrouwen willen ontmoeten

Koeweit is klein, en je komt dezelfde mensen overal tegen. Een van mijn vrienden vertelt hoe hij een match had met een vriendin van mij, en zelf heb ik een match met een jongeman die les heeft van een andere vriend van mij. Een andere match is toevallig ook uitgenodigd voor een kleinschalig evenement waar ik naartoe ga, ergens in het midden van de woestijn. Hoe groot is die kans nou helemaal? Tinder geeft je de mogelijkheid om in gesprek te gaan met mensen die je anders wellicht nooit gesproken had. Mijn match is zonder twijfel enorm aantrekkelijk, maar vanwege zijn hobby en de stereotypes die daarmee gepaard gaan had ik normaal gesproken elk gesprek meteen afgekapt. En tot mijn verrassing blijkt hij heel aangenaam gezelschap te zijn. Van zijn nachtelijke activiteiten zal ik nooit fan worden, maar de versie die ik overdag te zien krijg, daar ben ik wel behoorlijk van onder de indruk.

Terug in Duitsland verwijder ik Tinder weer. Het heeft het doel gediend: ik heb contact gelegd met een handjevol locals, ik heb interessante gesprekken met hen gevoerd, en heb nieuwe dingen geleerd over zowel het land als de mensen. Voordat ik Tinder verlaat, geef ik mijn contactgegevens aan een jonge Koeweiti, die van plan is om naar Nederland te verhuizen. Hij stuurt mij af en toe een berichtje, maar ik denk dat hij al besloten heeft dat het tussen ons niets gaat worden, want hij probeert mij te koppelen aan een van zijn vrienden. Echt waar. Ik krijg een leeftijd (36) en een nationaliteit (ook Koeweits) en een merkwaardige vraag. “Mijn vriend is op zoek naar een westerse vrouw, zou je geïnteresseerd zijn om hem te ontmoeten?” Hij meent het nog serieus ook. Oh, oh Koeweit…

Dit artikel verscheen eerder in het Engels op de blog The Life and Times of a Dutchie Abroad

Dima Abdu, Palestijns én Israëlisch, negeert de hint van Bibi en gaat tóch stemmen

Een eerste afspraak met Dima Abdu loopt op haast amusante wijze bijna in het honderd. ‘Als je op Rotterdam Central Station uitstapt, zien we elkaar in de hall,’ heb ik de jonge Palestijnse, die op familiebezoek in Nederland is, gemaild. Via facebook messenger laat ze me weten dat haar trein uit Amsterdam ruim op tijd het station is binnengereden. Maar een half uur na het afgesproken tijdstip is ze nog steeds niet verschenen.

Dima, waar ben je? Op die vraag is maar één antwoord mogelijk: ze staat op een verkeerde plek op me te wachten.

Wanneer ze me met haar mobiel een fotootje stuurt van waar ze op dat moment is, blijkt dat ze linea recta de stationshal is uitgelopen naar de Markthal – ofwel het spectaculaire, tunnelvormige woon-en winkelgebouw waarmee Rotterdam internationaal opzien heeft gebaard in de architectuurwereld, en dat dus ook niet aan de aandacht is ontsnapt van de architectuurfaculteit van de universiteit Technion in het Israëlische Haifa, waar de 22-jarige Dima studeert. Zij combineerde de woorden ‘Rotterdam’ en ‘hall’, voegde daar haar nieuwsgierigheid aan toe, en kwam toen vanzelf uit op de Market hall.

 

Dima Abdu in de Markthal ©Carl Stellweg

De keuze voor architectuur als studie zegt overigens veel over haar. Dima Abdu is een Palestijnse met het Israëlische staatsburgerschap. De overheid en de meeste media noemen haar bevolkingsgroep, die twintig procent van de totale Israëlische bevolking uitmaakt, liever ‘Israëlische Arabieren’, om  nationale aanspraken te verdonkeremanen. Veel van haar volksgenoten schijnen, in weerwil van een wijdverbreide nationale trots, ook eieren voor hun geld te kiezen. Als ze tot het Israëlische universitaire systeem weten door te dringen, willen de meesten volgens Dima het liefst arts worden: ‘Dat is een a-politiek beroep waarmee je geen aanstoot geeft, zelfs maatschappelijk aanzien geniet, en voor de rest van je leven onder de pannen bent.’

Zelf heeft ze andere ambities. Het is niet voor niets, bezweert ze, dat ze heeft gekozen voor een vak dat ‘een universele taal spreekt, en historische, culturele, en zelfs politieke implicaties heeft.’

Kortom: Dima wil meer dan een zo veilig mogelijke plek voor zichzelf veroveren in een latent vijandige samenleving. Ze ambieert precies datgene waartoe opeenvolgende Nederlandse regeringen diverse minderheden al dan niet terecht hebben aangespoord: meedoen. Architectuur is haar brug naar een wereld waarin vrijheid van uitdrukking vanzelfsprekend is. Daarom gaat ze ook, anders dan veel van haar Palestijnse maar ook ‘linkse’ joodse vrienden, op 9 april naar de stembus voor de Israëlische parlementsverkiezingen. En dat terwijl er in de ‘enige democratie in het Midden-Oosten’ nog nooit een Arabische partij in een regeringscoalitie heeft gezeten, en dit ook nooit zal gebeuren, als het aan Benjamin Netanyahu, de op een na langst zittende premier van Israël, ligt. Diezelfde Netanyahu merkte onlangs nog op dat alle burgers in Israël gelijke rechten hebben, maar dat Israël ‘geen staat is voor al zijn burgers, maar enkel de staat van het Joodse volk’.

Dima wil meer dan een zo veilig mogelijke plek voor zichzelf veroveren in een latent vijandige samenleving. 

De premier beriep zich op de omstreden natieststaat-wet die in juli vorig jaar door de Knesset werd aangenomen. Hoe dan ook doet zijn uitspraak denken aan de Principes van het Animalisme uit George Orwells Animal Farm. Die luiden immers: ‘Alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan andere.’

Je kunt je afvragen waar iemand als Dima Abdu dan nog de motivatie vandaan haalt om te gaan stemmen. ‘Het is de eerste keer dat ik mag, en die gelegenheid laat ik niet aan me voorbij gaan,’ repliceert ze met een kalme glimlach. ‘Ik heb ernaar uitgekeken. Eén ding heeft nóg minder zin dan stemmen, en dat is niet stemmen, toch? En is dat niet precies wat Netanyahu met zijn uitspraken beoogt? Om politieke participatie van Palestijnen zo veel mogelijk te ontmoedigen? Als je niet stemt, stem je in zekere zin toch: namelijk op hém.’

Ze merkt op dat ze de hoop niet wil verliezen. Daar komen we later op. Eerst de vraag wat het Israëlische staatsburgerschap eigenlijk voor haar betekent. Hoe zou ze zich in de eerste plaats willen omschrijven? Dat hierop geen eenduidig antwoord te geven is, zegt eigenlijk alles. Dat antwoord hangt helemaal af van hoe de vraag precies wordt gesteld, wie hem stelt, en waar hij wordt gesteld.

‘Er heeft één ding nóg minder zin dan stemmen, en dat is niet stemmen’

Vaak volstaat ze met te zeggen dat ze uit Haifa komt. Als haar wordt gedwongen kleur te bekennen – ben je een Israëlische of een Palestijnse? – zal ze zeker zeggen ‘Palestijnse’, met overtuiging, maar toch ook met voorbehoud. Want er zijn zo veel soorten Palestijnen: je hebt Palestijnen in de diaspora, je hebt Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, je hebt Palestijnen in de Gazastrook, je hebt Palestijnen in Jeruzalem, en je hebt Palestijnen zoals zij, die zich Israëlisch ‘mogen’ noemen. Niet de minst bevoorrechte groep, daarvan is zij zich bewust, en vandaar haar probleem om zichzelf te definiëren: ze wil zich niet als meer misdeeld voordoen dan ze is. Te meer omdat ze niet in Gaza of op de Westelijke Jordaanoever zou willen wonen – ook niet als daar een Palestijnse staat komt. Ze sympathiseert met haar volksgenoten in de bezette gebieden, maar ze is ook een moderne jonge vrouw en in die zin op haar plaats in het relatief moderne Israël.

Voelt ze zich desondanks toch niet een tweederangsburger? Het antwoord daarop luidt ja. En dat ligt niet eens aan de tientallen impliciet discriminerende wetten die de Palestijns-Israëlische mensenrechtenorganisatie Adalah heeft ontwaard. Het zit hem eerder in het alledaagse, soms zelfs in het goed bedoelde. Niet goed bedoeld zijn de uitgebreide douanecontroles waaraan ze wordt onderworpen als ze Israël in wil – welk land verwelkomt zijn eigen burgers op die manier? – maar wel de houding van de joodse mevrouw die, nadat ze heeft vernomen dat Dima Palestijnse is, haar verzekert dat ze ’27 jaar lang een Arabische kapper’ heeft gehad: ‘Alsof mij dat iets kan schelen,’ zegt Dima. ‘Alsof ik daar dankbaar voor moet zijn of zo.’

Het zit hem ook in de verkrampte beleefdheid waarmee de meeste van haar joodse medestudenten met haar omgaan. ‘Wanneer ik mijn Arabische identiteit zelfbewust uitdraag, reageren ze positief, omdat ik ze hiermee de kans geef te bewijzen dat ze geen racist zijn.’ Aan de andere kant moet een gesprek over netelige onderwerpen, een discussie, een dialoog, altijd van haar komen. ‘Zelf zullen ze nooit ergens over beginnen. Het is altijd aan mij, als minderheid, om de olifant in de kamer weg te halen.’

De vraag is wel of het woord ‘minderheid’ in deze context niet misplaatst is. Het Israëlische bestel wordt nog wel eens verdedigd met het argument dat minderheden het in elke samenleving moeilijk hebben, aan sociale discriminatie blootstaan: zo ook in een ‘normaal land met normale gebreken’  als Israël.  Het maakt van Israël nog geen apartheidsstaat. Maar hoe komt het eigenlijk dat de Palestijnen een minderheid zijn? Omdat ze ooit een meerderheid waren die weg moest, die werd verjaagd. Voor veel Israëliërs lijkt dat een vanzelfsprekend gegeven waarbij ze zichzelf geen ethische vragen stellen. Een voorbeeld is de docente op Dima’s universiteit die het had over de tijd dat de joden de Arabische bevolking in Haifa vervingen. ‘Alsof dat met high-fives gebeurde,’ zegt Dima.

‘Het is altijd aan mij, als minderheid, om de olifant in de kamer weg te halen’

Ze heeft soms ook moeite met het dogmatisme in eigen kring. Ze is in een politiek bewuste familie opgegroeid, waar de Arabische taal en cultuur altijd zijn gekoesterd, en heeft wat dat betreft veel ontleend aan haar grootvader, een dichter, en een journalist van Al-Ittihad, de oudste, in 1944 opgerichte Arabischtalige krant van Israël, met wortels in de Palestijnse communistische beweging. Ze is er geen scherpslijper door geworden. ‘Zeg dat je uit Palestina komt, niet uit Israël,’ bezwoeren haar vrienden haar voordat ze naar Nederland afreisde. Dat vertikt ze. Ze wil namelijk niet de indruk wekken geen verschil te zien tussen haar en de Palestijnen in de bezette gebieden.

Evenzo hebben sommige vrienden het haar niet in dank afgenomen dat ze Waltz with Bashir wilde zien. Deze geruchtmakende animatiefilm van de Israëliër Ari Folman uit 2008 gaat over de trauma’s die Israëlische soldaten tijdens de oorlog in 1982 in Libanon opliepen. Het bloedbad dat christelijke Falangisten onder de ogen van Israëlische strijdkrachten aanrichtten in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila komt uitgebreid aan bod. De film is een impliciete aanklacht tegen die Libanese oorlog, waarin Israël voor veel westerlingen zijn ‘onschuld’, ofwel zijn imago van koene pioniersnatie verloor. Daar ging het Dima’s vrienden niet om: de trauma’s van de Israëlische soldaten zijn in hun ogen volledig ondergeschikt aan het leed dat die soldaten hebben aangericht. Zielig voor ze, dat ze daar later zo veel last van hebben gekregen, maar daarom nog geen aandacht waard. Daar is Dima het niet mee eens. Zij wil de psychologie van de onderdrukker leren kennen. Bovendien: ‘Aan elke zaak zit meer dan één kant. Ik wil mijn eigen oordeel vormen, en dan moet ik van zo veel mogelijk invalshoeken kennis kunnen nemen.’

Ze wil de psychologie van de onderdrukker leren kennen

Ze voelt een duidelijke behoefte ‘de ander’ te leren kennen. Vandaar ook haar waardering voor de documentaire ‘On the other side of the street‘, waarin  Lia Tarachansky, die opgroeide in de joodse nederzetting Ariël, bekent dat ze pas na vele jaren het nabijgelegen Arabische dorp ‘opmerkte’. Dit wrange gegeven is het startpunt van Tarachansky’s onderzoek naar het ‘collectieve geheugenverlies’ waaraan de Israëliërs zouden lijden als het gaat om wat de Palestijnen werd aangedaan in 1948, het jaar dat de staat Israël werd gesticht.

Een en ander heeft voor Dima ook geleid tot een onderzoek naar haar eigen achtergrond, die paradoxaal genoeg, ondanks haar opvoeding, lange tijd voor haar in nevelen bleef gehuld. Totdat ze met haar studie begon, drie jaar geleden, leefde ze in een goeddeels gesegregeerde wereld. Toch wist ze pas op haar achtste of negende wat de term ‘Nakba’ concreet betekende, en was het uitgerekend op een door joodse Israëliërs gedomineerde universiteit dat ze werd ‘getriggerd’ om in haar antecedenten te duiken. Dat was naar aanleiding van een opdracht waarbij ze een oud familielid om een oude foto moest vragen, met een verhaal rond die foto erbij. Dit heeft ertoe geleid dat ze nu het hele familiefotoarchief aan het uitpluizen is. Via het onvolprezen facebook messenger stuurt ze enthousiast een aantal foto’s op: kijk, een familiefoto uit Najd, waarin haar grootvaders van moeders kant zich onderscheidt door zijn pak met stropdas tussen mannen in bedoeïenendracht. En hier een foto van grootvader, aan het werk als journalist tijdens een conferentie in Warschau in de jaren vijftig. En hier het eenvoudige huisje van haar grootmoeder in Shefa-‘Amr, dat nu een school voor Arabische kinderen is.

Dima’s grootvader (links vooraan), als journalist aan het werk tijdens een conferentie in Warschau in de jaren vijftig.

Aan deze zoektocht heeft Dima een ander project gekoppeld, daartoe aangemoedigd door een met haar sympathiserende docent fotografie, getiteld ‘The last witness’, de laatste getuige. Het gaat om een reeks geënsceneerde foto’s waarmee ze het begrip ‘collectief geheugen’ en, daarmee samenhangend, ‘collectief geheugenverlies’, verkent.

‘Geschiedenis en herinneringen worden snel begraven,’ schrijft ze erbij. ‘Dat leidt tot een angst voor verlies van identiteit. Wij zijn een minderheid, en zijn dus anders dan de meerderheid van de bevolking. Discriminatie zorgt ervoor dat wij sterk hechten aan onze herinnering; soms onthouden we gebeurtenissen op een verwrongen, extreme wijze. We veranderen de plaats, we verklaren herinneringen heilig, de rest wissen we uit. We spreken over historische figuren alsof we ze zelf hebben ontmoet, alsof we ze kennen. Plaats, mensen, geheugen en identiteit creëren een duurzaam systeem, een systeem dat zichzelf in stand houdt. U ziet nu foto’s van een oud huis in Wadi Salib (Haifa). Over een paar maanden wordt het een café. Daarom geef ik mijn getuigenis aan u door. Nu bent u verantwoordelijk voor het veiligstellen van het verleden en het bouwen aan een toekomst.’

Foto van Dima Abdu’s project ‘The last witness’ ©Dima Abdu

Het bezoek aan Nederland is haar goed bevallen. De stedelijke omgeving heeft ze als een stuk minder grauw ervaren dan bij haar. En ook: ‘Je ziet hier veel minder muren. Ik ken bijvoorbeeld thuis geen schoolpleinen die niet ommuurd zijn.’

Maar met wat voor gevoel keert ze nu terug naar het land waarvan ze een paspoort heeft, maar dat toch niet haar vaderland is? Wat is eigenlijk haar hoop voor de toekomst? ‘Ik wil vrede,’ zegt ze omzichtig. Tja, wie niet. Wat voor vorm zou die vrede volgens haar dan moeten aannemen? Eén staat, twee staten? Na wat doorvragen komt het erop neer dat ze één land wil, maar niet dit land. Een land waar ze Arabisch, Hebreeuws en Engels door elkaar kan praten zonder dat iemand er haar op aankijkt. Een land waar iedereen gelijk is, en sommige mensen niet meer gelijk zijn dan andere.

De eerder genoemde fotografiedocent was een van de zeer weinige Israëliërs die haar vroeg of ze ging stemmen. En op haar bevestigende antwoord: waarom dan wel? Omdat er één ding minder zin heeft dan naar de stembus gaan, zei ze terug, en dat is niet naar de stembus gaan. Ja, zo dacht ik er vroeger ook over, verzuchtte de docent, maar ik kan het niet meer opbrengen. Ik heb de hoop verloren.

‘Het is gek,’ zegt Dima. ‘Maar zijn wanhoop geeft mij op een bepaalde manier hoop.’

Recente berichten

Recente reacties

    Archieven

    Categorieën

    Meta

    Deze website gebruikt cookies om uw ervaring te verbeteren. Door op de 'accepteer' knop of andere links in de site te klikken, geeft u aan hiermee akkoord te gaan.