Waarom geen no-fly zone in Syrië? Nikolaos van Dam: Het Westen riep op tot stappen waarvan het wist dat het die niet kon waarmaken

Home Arabische Revoluties Waarom geen no-fly zone in Syrië? Nikolaos van Dam: Het Westen riep op tot stappen waarvan het wist dat het die niet kon waarmaken
Waarom geen no-fly zone in Syrië? Nikolaos van Dam: Het Westen riep op tot stappen waarvan het wist dat het die niet kon waarmaken

Jaren geleden stelde de Nederlandse topdiplomaat Nikolaos van Dam al dat een wisseling van regime in Syrië niet zonder bloedvergieten gepaard kon gaan. Het is onder meer deze vooruitziende blik die hem het nodige gezag heeft opgeleverd, zeker in Nederland. Voor Syriërs is hij min of meer controversieel, omdat hij oproept tot samenwerking met Assad. Een ander punt: Van Dam heeft het bloedvergieten in Syrië een burgeroorlog genoemd. Met andere woorden: een intern conflict. Is het niet veel meer dan dat? Deze en andere lastige vragen stelde  de Syrisch-Nederlandse Arabiste Rehab Chaker hem in zijn woning in Den Haag. Het interview verscheen eerder in het Arabischtalige tijdschift Aljumhuriya. Op deze site volgt, in drie afleveringen, de Nederlandse tekst. Vandaag de eerste aflevering. Klik hier voor aflevering twee en hier voor aflevering drie.

DOOR REHAB CHAKER

U was een jongeman en op een zekere dag besloot u Arabisch te gaan studeren. Wat trok u zo aan in die taal en cultuur?

Mijn eerste kennismaking met het Arabisch was eigenlijk thuis. Naast zijn studie theologie had mijn vader een tijdje Arabisch gestudeerd. We hadden thuis een woordenboek Aramees en Hebreeuws waar je voorin het alfabet van verschillende talen kunt opzoeken: Arabisch, Syrisch, Aramees, Hebreeuws, Ethiopisch enzovoort. Ik vond het Arabische schrift het mooist. Via het schrift raakte ik gefascineerd door het Arabisch. Op de middelbare school was ik al begonnen met het leren van deze taal. Ik kon die toen nog nauwelijks spreken, maar had wel een grammofoonplaat met daarop Egyptisch-Arabisch waarmee ik oefende.

Tijdens uw studie en later bent u vaak in Syrië geweest. U bezocht Syrië zo ongeveer één keer per jaar en in 1970 verbleef u daar een heel jaar. U specialiseerde zich in de politieke situatie in Syrië en schreef in 1977 een proefschrift over ‘de rol van sektarisme, regionalisme en tribalisme bij de strijd om de poltieke macht in Syrië’. Waar kwam uw belangstelling voor Syrië vandaan?

Voor mijn studie Arabisch was ik eerst naar Syrië gegaan. Ik reisde met de bus van Istanbul naar Iskandarun en via Antakia naar Aleppo. In Iskandarun hoorde ik voor het eerst Arabisch, maar ik verstond er niets van, want het was heel anders dan het beetje dat ik had geleerd. Het enige zinnetje dat ik toen goed kon opzeggen was Egyptisch: “mish ma’aya flus kifaya” (ik heb niet genoeg geld). De kooplieden in Aleppo moesten er hartelijk om lachen.

Bij de Syrische grens moest ik ´s nachts op een houten bank slapen. Tijdens mijn slaap was mijn portemonnee op de grond gevallen zonder dat ik het had gemerkt. De volgende ochtend kwam een vriendelijke Syriër naar me toe en zei: hier is je portemonnee. Mijn eerste kennismaking met Syrië was dus heel positief!

In Aleppo ontmoette ik in de soeks een student die mij uitnodigde om in zijn dorpje te komen logeren. Ik accepteerde zijn vriendelijke uitnodiging maar al te graag en ging met hem naar zijn dorp Kafar Karmin. Ik heb een paar dagen bij zijn familie in een traditionele woning met lemen koepels mogen doorbrengen en sliep ´s nachts onder de uitgestrekte sterrenhemel. De mensen waren buitengewoon vriendelijk en gastvrij. Ook dit was een fantastische eerste ervaring. Zulke gastvrijheid had ik nooit eerder meegemaakt.

Mijn interesse in de politiek in Syrië ontwikkelde zich geleidelijk aan. Syrië was heel moeilijk te doorgronden, althans dat dacht ik, zeker in die tijd. En omdat ik naast het Arabisch ook politieke wetenschappen studeerde, besloot ik een scriptie te schrijven over de ideologie en de geschiedenis van de Baath-partij. Ik kon die scriptie schrijven in Amsterdam, waar ik woonde, of in Syrië. Ik vond het een prachtige combinatie: een verblijf in een land dat mij zo interesseerde en daar werken. Dit was 48 jaar geleden en mijn onderzoek is nog steeds relevant, want de heersende Baath-partij partij is er nog steeds.

Een paar jaar later wilde ik promoveren op hetzelfde onderwerp, maar toen ik er eenmaal mee bezig was bleek dat iemand anders dit al had gedaan. Ik wilde geen dubbel werk doen en besloot mij op de rol van de minderheden te concentreren. Dat was in 1972 en velen dachten toen dat minderheden al lang geen rol meer speelden; zij meenden dat het om klassen en klassenstrijd ging. In mijn idee zijn de oerloyaliteiten, als het erop aankomt, belangrijker dan de economische. Die oerloyaliteiten zijn minder makkelijk vast te leggen, dan bijvoorbeeld de economische: hoeveel je verdient, enzovoorts. Sektarische en economische belangen kunnen elkaar echter wel overlappen.

Wat mij intrigeerde was dat niemand in Syrië daarover wilde praten, het was een taboe. En een taboe prikkelt juist om meer te willen weten. Als ik iemand vroeg waar hij vandaan kwam, kreeg ik slechts als antwoord: “Wij zijn allemaal Arabieren”. Het was niet makkelijk om dit onderwerp bloot te leggen.

U voorspelde in uw eerste boek “De strijd om de macht in Syrië” dat het onmogelijk zou zijn om geleidelijk en vreedzaam van het Syrische regime af te komen. Zonder bloedig geweld zou dat nooit lukken. Begrijp ik goed dat u van mening bent dat een oorlog onvermijdelijk is als de mensen af willen van deze dictatuur? Kon deze oorlog niet worden vermeden, of tenminste een paar van haar pijnlijke hoofdstukken? Is dat wat heeft plaatsgevonden niet enkel één van de mogelijke scenario’s?

Ik denk dat het geweld onvermijdelijk was. Wat er ook gebeurde, het regime zou er alles aan doen om de macht te behouden. En dat heeft het altijd gedaan, het nam altijd draconische maatregelen om iedere tegenstander uit te schakelen, eerst binnen de Baath-partij, later daarbuiten. Ook als je vreedzaam demonstreert, kun je van dit regime verwachten dat het met geweld tegemoet wordt getreden.

Vijftien jaar voordat de Syrische Revolutie in 2011 uitbrak, heb ik het scenario van een bloedige oorlog voorspeld in de derde editie van mijn eerste Syrië-boek; en het was niet zo moeilijk om dat te voorspellen. Als je dit regime ten val wilt brengen, dan volgt er onvermijdelijk een bloedbad. Dat betekent niet dat het grove geweld ook maar enigszins te rechtvaardigen is op ethische of morele gronden, maar het is de realiteit. Als het regime zelfs maar een beetje twijfelde aan de loyaliteit van mensen, werden ze gevangen gezet of geëxecuteerd. Wat verwacht je dan als miljoenen mensen demonstreren? In zekere zin is zo´n demonstratie minstens zo gevaarlijk als een militaire aanval. Als het regime de demonstraties had toegestaan, dan was het onder de voet gelopen. Je zou kunnen zeggen dat er andere scenario´s mogelijk waren, maar regime change was onmogelijk zonder extreem geweld.

Als Assad hervormingsmaatregelen had doorgevoerd, dan was het misschien mogelijk dat het iets vreedzamer was gegaan. Maar in de context van de zogenaamde Arabische Lente waren langzame hervormingen niet mogelijk. De oppositie zou daar geen genoegen mee hebben genomen. We hebben een Nederlandse uitdrukking: je geeft een vinger en men neemt de hele hand. De staatloze Koerden kregen na decennia eindelijk de Syrische nationaliteit (waar ze eigenlijk al lang recht op hadden), maar wilden onmiddellijk meer. Als de tegenpartij zwakte voelt, dan drukt hij door. Naar mijn idee eiste de oppositie tactisch te veel in eens.

Demonstraties tegen het regime van Assad in Hula, bij Homs, in 2011

Maar zijn hervormingen überhaupt mogelijk met dit regime?

Ik heb het niet over hervormingen in de zin van machtsdeling. Dat zou het regime nooit hebben toegestaan. Iedere machtsdeling kan het eerste begin zijn van hun val. Maar je kunt proberen economische hervormingen door te voeren, je kunt proberen de corruptie te bestrijden. Maar helaas is dat het regime nooit gelukt, omdat ze ook afhankelijk zijn van mensen die onderdeel zijn van het corrupte systeem. Het bestrijden van corruptie kun je vergelijken met het afzagen van een boomtak waarop je zit.

Het regime liet zich niet ten val brengen, maar de demonstranten waren euforisch en riepen: “Het volk wil de president ten val brengen”; en later: “Het volk wil dat de president wordt geëxecuteerd”. Ze dachten, vooral na de val van Qaddafi, dat er hulp van buitenaf zou komen, maar er kwam helemaal geen hulp vanuit het buitenland; althans niet voldoende om het regime ten val te kunnen brengen. Het klinkt bruut, maar ik heb in maart 2012 al gezegd: “Het liefst had ik helemaal geen doden, maar als ik moet kiezen, geef ik de voorkeur aan 10.000 doden met het aanblijven van het regime, dan doorgaan met 300.000 doden of meer” en miljoenen vluchtelingen en het land grotendeels in puin.

Het geweld had zeker veel minder gekund. Het regime had absoluut geen burgerwijken hoeven te bombarderen. Het geweld van het Syrische regime is heel vaak disproportioneel en zinloos geweest. Ik heb me vroeger wel eens afgevraagd wat het voor zin had om de gevangenen in Palmyra zo wreed en langdurig te martelen. De mensen die daarbuiten liepen, die wisten van niets. Er ging daardoor geen voorbeeldwerking van uit of zo. Als je iemand ophangt op een plein, dan heeft dat een voorbeeldwerking, zoals ISIS (de “Islamitische Staat” of IS) dat deed, ze maakten iedereen bang. Maar als je dat binnen muren doet, in het geheim, dan weten de mensen het niet, dan hebben ze alleen een vermoeden.

Een heleboel waarnemers hebben zich vooral met de ideeën en idealen van de oppositie beziggehouden, maar niet met het regime. Ze dachten: het komt vanzelf wel goed.  Maar als je het regime kent, weet je dat het niet vanzelf goed zal gaan, dan weet je dat het een bloedbad wordt. Het regime zal zich niets aantrekken van de oproepen van de wereld om af te treden. Als de waarnemers zich inhoudelijk meer met het bewind hadden beziggehouden, dan hadden ze minder aan wishful thinking gedaan.

Maar veel Syriërs kennen het regime als geen ander en zeggen dat als het regime aanblijft de wreedheden gewoon doorgaan.

Ik begrijp dat veel Syriërs dat vinden, maar ze hebben gerekend op steun uit het buitenland. En de steun die ze verwachtten is helemaal niet gekomen; en de steun die er wel was, was niet voldoende om het regime ten val te brengen.

De titel van uw tweede boek is “Verwoesting van een natie: de burgeroorlog in Syrië”. Ik denk dat de Syriërs deze titel heel vreemd vinden. Zij zien de oorlog immers niet als enkel een strijd tussen de burgers, maar als een revolutie die tegen hun zin in, is ontaard in een oorlog bij volmacht. U beseft dat heel goed en toch kiest u ervoor om de term “burgeroorlog” te gebruiken. Waarom deed u dat? En waar is de revolutie gebleven?

Ik heb eigenlijk heel weinig kritiek gehad op mijn boek, maar de kritiek die ik wel kreeg, betrof in de meeste gevallen de titel. En het ging daarbij vooral om mensen die alleen maar de titel hadden gelezen en niet het boek zelf: deze critici zijn helaas niet verder gekomen dan het omslag. In het boek zelf betoog ik namelijk dat je de oorlog na het beginstadium geen burgeroorlog meer kon noemen, omdat deze zich door de diverse militaire interventies vanuit het buitenland (Rusland, Iran, Hizballah en anderen) ontwikkelde zich tot een “oorlog bij volmacht”.

Trouwens, de meeste westerse schrijvers noemen het een burgeroorlog, net als de BBC, al is dat op zich natuurlijk geen argument om te zeggen dat het dus toch een goede titel is. Ik was me destijds niet bewust van de kritiek die op dat woord zou komen. Daarom heb ik voor de Arabische editie gezocht naar een studie die het woord burgeroorlog definieert. Die vond ik in een studie van iemand die meer dan honderd oorlogen heeft bestudeerd en hij kwam tot een aantal criteria en daar voldeed deze Syrische oorlog ook aan. Sommige mensen zien in het woord burgeroorlog echter een ideologische dimensie. Zij menen dat het geen burgeroorlog is, omdat er sprake is van een regime dat de mensen onderdrukt, of ze zeggen dat er een heleboel niet-Syriërs deelnemen aan de oorlog. Maar de meeste militairen die betrokken zijn, zijn Syriërs. Het is een kwestie van definitie, daar wordt verder niets meer mee bedoeld. Pas toen ik die kritiek kreeg, realiseerde ik me dat het voor een heleboel mensen uit de oppositie gevoelig lag. In mijn hele boek heb ik het veelvuldig over “The Syrian Revolution” met hoofdletters; en hoe vaak heb ik het woord “civil war” gebruikt? Maar een paar keer. En bij de eerste keer dat ik deze term heb gebruikt voor de Syrische Revolutie heb ik gelijk uitgelegd dat deze niet meer op zijn plaats was.

Het  probleem is ook dat het Westen al heel vroeg het woord burgeroorlog gebruikte, toen er nog helemaal geen oorlog was.

Het wordt een academische discussie als je wilt bepalen wanneer de oppositie voor het eerst de wapens gebruikte. Het regime was gewelddadig en het was onvermijdelijk dat dit tegengeweld opriep. En de groepen die het zwaarst werden vervolgd, hebben als eerste geweld gebruikt. Maar wat vind u eigenlijk van de titel?

Ik denk dat het woord `burgeroorlog` wel invloed heeft op hoe mensen het conflict gaan interpreteren. De kans is groot dat een Nederlander die weinig van het conflict afweet, gaat denken dat het alleen om interne problemen gaat. Hij zal daardoor sneller geneigd zijn om te zeggen: “Ik heb daar niets mee te maken, ze moeten hun problemen maar zelf oplossen”, terwijl de Syriërs de grip op de oorlog allang kwijt zijn geraakt.

Dat weet ik niet. Ik heb het daar met niemand over gehad. Ik denk dat de meeste Nederlanders zich helemaal niet bewust zijn van de gevoeligheden die er over het woord “burgeroorlog” bestaan bij de Syrische oppositie. Misschien is een  titel  zoals `De bloederige oorlog in Syrië` neutraler.

Sommige Syriërs hebben tevergeefs gerekend op een internationale interventie die hen en hun land van een bloederig lot zou redden. We kunnen van mening verschillen over het nut van een dergelijke interventie, maar het is inmiddels gebleken dat het andere uiterste ook heeft gefaald, namelijk de enorme voorzichtigheid, het niets doen en het alleen blijven toekijken. De oorlog is nog gaande en is verantwoordelijk voor de toename van het geweld in de wereld. De westerse voorzichtigheid heeft dus niet mogen baten en is medeverantwoordelijk voor de regionale en internationale escalatie. De vraag is: waarom heeft de wereld geen no-fly zone in Syrië afgedwongen. Dan zou het Assad zijn gewelddadigste wapen, de vaatbommen, hebben afgenomen. Had dat de pijn en verwoesting niet kunnen verminderen en meer ruimte gecreëerd voor de vreedzame en democratische krachten?

Naar mijn mening leidt bijna iedere buitenlandse inmenging tot rampen. Ik noem een paar voorbeelden: Afghanistan, Irak, Kuwait, Libië, Jemen en Syrië. Al die buitenlandse interventies hebben gezorgd voor meer ellende dan dat ze hebben opgelost. Zonder de bezetting van Irak door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië was er bijvoorbeeld geen IS geweest en onder President Saddam Hussein had al-Qaeda geen schijn van kans.

Diverse westerse politici hebben herhaaldelijk tot dingen opgeroepen waarvan ze tevoren hadden kunnen weten dat die niet gingen gebeuren: no-fly zones, safe zones, humanitaire corridors en nog een aantal dingen. Ik vroeg in Turkije waarom ze het niet alleen deden als ze dat wilden en ze zeiden: “Er moeten minstens vijf andere landen meedoen”. Veel landen waren beducht om een rechtstreekse confrontatie met het regime aan te gaan.

Waarom?

Eigenlijk moeten we het aan die landen vragen. Geen enkel land was bereid het regime rechtstreeks aan te vallen. Voor de aanval op Libië was er toestemming van de Veiligheidsraad, maar de Russen hadden daar achteraf spijt van omdat de militaire interventie daar uiteindelijk uitliep op regime change in plaats van alleen de bescherming van de burgerbevolking tegen Qaddafi. Ieder land dat zonder toestemming van Damascus over Syrië vliegt, kan erop rekenen dat het wordt aangevallen door het Syrische regime.

Het karkas van een vaatbom in Syrië

Maar hoe kan Syrië bijvoorbeeld Nederland aanvallen?

Nederland wil helemaal niet meedoen met de strijd tegen het Syrische regime. Nederland heeft alleen meegedaan met de aanvallen op IS. De meeste landen hebben het er niet voor over om hun militairen op te offeren voor de strijd in Syrië. Zo simpel is dat. Nederland heeft bij mijn weten ook nooit overwogen om mee te doen. Een heleboel landen hebben geen grote belangen in Syrië. Rusland en de VS hebben strategische belangen, maar ik denk dat de belangen van de VS niet zo ver reiken dat ze het land zouden willen blijven bezetten. Hoogstens als tegenwicht tegen Iran en als het nog van belang is in de strijd tegen IS.

Mijn vraag was anders. Ik bedoel niet dat je moet helpen het regime ten val te brengen, maar dat je het Syrische luchtruim beschermt, zodat het regime de bevolking niet vanuit de lucht kan aanvallen. Een no-fly zone ter bescherming van de mensen.

Geen enkel land had dat er blijkbaar voor over. Misschien is het een vorm van hypocrisie. Als je wilt dat het Syrische regime niet vliegt, dan moet je het neerschieten. En als je wilt dat de Russen niet vliegen, dan moet je ook die neerschieten, maar dat betekent dan wel een rechtstreekse confrontatie en er zijn geen landen die dat een acceptabele optie vinden.

De Russen zijn pas later boven Syrië gaan vliegen, waarom geen no-fly zone vanaf het begin?

 De Russen zijn er vooral verder militair bij betrokken geraakt vanwege de uitgebreide steun die de oppositie kreeg van andere landen (zoals van de VS, Turkije, Qatar en Saudi-Arabië). Als de oppositie niet zo sterk was geworden, dan was het regime ook niet aan het wankelen gebracht. De oppositie zegt heel vaak: als de Russen niet hadden geïntervenieerd, dan was het regime al lang gevallen. Maar als de oppositie niet de steun had gehad van bijvoorbeeld Saudi-Arabië en andere landen, dan hadden ze geen schijn van kans om het van het regime te winnen.

En nog iets: als landen zeggen “wij nemen de verantwoordelijkheid op ons om de burgerbevolking te beschermen (responsibility to protect)”, dan moeten ze in het land blijven totdat het beter gaat. Als onderdeel van het VN-principe van Responsibility to Protect, moet je dan ook blijven. Nazorg hoort ook bij die verantwoordelijkheid. En als je dan na tien jaar weggaat, is er een reële kans dat alles opnieuw begint, want diverse partijen willen de macht. Het probleem van het Westen is dat er werd opgeroepen tot stappen waarvan ze hadden kunnen weten dat ze die niet gingen waarmaken. Het is uiteindelijk voor de bühne.

Maar dat weten  de Syriërs inmiddels al.

Achteraf is het duidelijk dat het Westen  niet voldoende bereid was om zijn woorden ook om te zetten in daden, zoals dat bijvoorbeeld in Libië was gebeurd (en zelfs meer dan dat), maar op het moment zelf dachten de Syriërs van de oppositie: ze komen ons helpen. Het was echter vooral morele steun, maar wat heb je daaraan als het regime alle oppositiegebieden bombardeert, als je je principes niet kunt of wilt implementeren met militaire macht. Er zijn hoge kosten aan verbonden, maar niemand had dat er voor over, althans niet ten koste van het eigen land.

Als je bepaalde doelen wilt bereiken, moet je bereid zijn om bepaalde middelen in te zetten. Maar als je die middelen niet wilt inzetten, dan moet je je doelen bijstellen.  Helaas ging het in de praktijk anders. We zeggen dat we de top willen bereiken, maar ook al hebben we niet de middelen daartoe, of willen we die niet inzetten, toch blijven we zeggen dat we die top willen bereiken. Dat zie je ook in andere conflicten. Dan moet je je bescheidener opstellen, maar dat staat zo slecht tegenover je politieke achterban.

 

Nikolaos van Dam (1945) is  een Nederlandse oud-diplomaat. Hij heeft Arabische Talen en Politieke Wetenschappen gestudeerd.  In 1977 promoveerde hij  op de politieke situatie in Syrië en in 1979 schreef hij  “De strijd om de macht in Syrië, sectarisme, regionalisme en sectarisme”.  Later is hij ambassadeur geweest voor o.a. Irak, Egypte, Turkije en Indonesie. Ook is hij recent  de speciaal gezant voor Syrië geweest. In 2017 schreef hij “Destroying a Nation: The Civil War in Syria”.  Rehab Chaker behaalde in 2009 cum laude haar master Arabische Talen en Culturen. Haar scriptie ging over “Syrische politieke gevangenisliteratuur tussen 1980 en 2008”. Daarna volgde ze een opleiding tot gerechtstolk, die ze eveneens cum laude afrondde.