‘Vrij ondernemerschap is niet de oplossing voor Arabische jongeren’

Home Arabische Revoluties ‘Vrij ondernemerschap is niet de oplossing voor Arabische jongeren’
‘Vrij ondernemerschap is niet de oplossing voor Arabische jongeren’

Linda Herrera ©Foto Thana Faroq

DOOR CARL STELLWEG

Haar verwachtingen waren achteraf misschien te hooggespannen. Maar ze had er erg naar uitgekeken: het eerste rapport over Arabische jongeren van het UNDP, het ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties. Youth and the prospects for Human Development in a Changing Reality  was de titel. Dat beloofde wat. Toen het document in 2016 in haar elektronische brievenbus plofte, ging ze het onmiddellijk downloaden en lezen, misschien een beetje als een kind dat een verjaardagscadeau uitpakt.

Wat volgde was extreme teleurstelling. Linda Herrera, een in het Midden-Oosten gespecialiseerde sociaal-antropologe die 17 jaar in Egypte woonde, kreeg de indruk dat de Arabische opstanden van 2011 grotendeels aan de tientallen auteurs van het rapport voorbij waren gegaan. Het bood in haar optiek geen enkel nieuw inzicht. Het grossierde in vertrouwde, holle aanbevelingen. Jonge mensen moesten ‘empowered’  worden. Ze moesten de kans krijgen hun lot in eigen handen te nemen. Daartoe diende het onderwijs drastisch aan de eisen van de markt te worden aangepast. Vrij ondernemerschap was het sleutelwoord. Jonge Arabische ondernemers waren immers de architecten van een vreedzaam Midden-Oosten, een Midden-Oosten waarin de lokroep van het moslimextremisme definitief zou verstommen.

Het is volgens Herrera een valse boodschap, en een recept voor nog meer instabiliteit, ongelijkheid en extremisme. De adviezen van het UNDP zullen Arabische jongeren in haar ogen veroordelen tot het precariaat: deze betrekkelijk nieuwe term, waarin de woorden ‘precair’ en ‘proletariaat’ zijn samengetrokken, slaat op een nieuwe sociale klasse van relatief hoogopgeleide jonge mensen die veel in hun toekomst hebben geïnvesteerd, maar voor het merendeel gedoemd zijn van een kille kermis thuis te komen: kortlopende arbeidsovereenkomsten, lage inkomens, weinig sociale zekerheid, weinig sociale banden, en weinig politieke zeggenschap.

De toenemende arbeidsonzekerheid van de middenklasse is een wereldwijde ontwikkeling. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de middenklasse  in het Midden-Oosten, of wat daarvoor doorgaat, bijzonder kwetsbaar is, vanwege de overbekende kwalen als mismanagement, corruptie en despotisme in dit deel van de wereld. ‘Ik vind de boodschap van het UNDP daarom wreed en schadelijk,’ zegt Linda Herrera. ‘Het is een boodschap die stoelt op het idee dat de vrije markt de remedie is voor alles. Neo-liberalisme? Dat is een term die ik niet graag gebruik, omdat niet iedereen er hetzelfde onder verstaat, maar laat duidelijk zijn dat het UNDP-rapport het paradigma van vrij ondernemerschap, menselijk kapitaal en de privatisering van markten volledig heeft omhelsd. Daarmee zou de empowerment van jongeren gediend zijn. Los van het feit dat ik dit niet geloof, gaan de auteurs er vrijwel volledig aan voorbij dat jongeren tijdens de Arabische opstanden al bezig waren zichzelf te empoweren. Je hoeft ze niet voor te schrijven hoe ze dat moeten doen, dat is nogal bevoogdend: ze deden dat al in een fascinerend alternatief universum, dat aanvankelijk bestond uit smartphone-netwerken, en later uit de blogosphere en sociale media. Ze leerden elkaar daarin zaken die het onderwijs hun had moeten bieden maar niet deed en ook niet zal doen als de extreem op de markt gerichte aanbevelingen van het UNDP ten aanzien van het onderwijs navolging vinden. De jongeren leerden elkaar burgerschap, gemeenschapsvorming, solidariteit. ‘

Herrera wijst erop dat er in dit alternatieve universum, dat al jaren vóór de opstanden bestond, bruisende bewegingen ontstonden, zoals, in Egypte, de Beweging van 6 april, en de anti-martelingscampagne ‘Wij zijn allemaal Khaled Saïd’, in nagedachtenis van de blogger die in 2010 door de Egyptische politie werd doodgeslagen. Daarnaast wijst ze op de vele andere moedige initiatieven die corruptie en wangedrag van gezagsdragers aan de kaak stelden. ‘Door de contrarevolutie zijn deze bewegingen zwaar in de verdrukking geraakt ,’ zegt ze, ‘maar vergis je niet, ondergronds blijven jonge mensen zich roeren. Zo stellen Koptische jongeren het establishment in hun eigen gemeenschap aan de kaak, en hetzelfde gebeurt binnen de Moslimbroederschap. Dat proces was trouwens al gaande vòòr de val van Moebarak, maar werd tijdelijk gestuit toen de oudere, conservatieve garde binnen moslimbroederschap progressievere elementen het zwijgen wist op te leggen omdat de politieke macht in het land voor het grijpen leek.’

Wat u zegt lijkt los te staan van de behoefte aan werk. Wat levert al dat ontluikende burgerschap en sociale activisme, hoe hartverwarmend het ook is, concreet op?

‘Dat zal ik je zeggen: uitzicht op een samenleving die niet gekenmerkt wordt door corruptie, onderdrukking en onvrijheid. Zolang die corruptie, onderdrukking en onvrijheid blijven bestaan is het onzin om veel heil te verwachten van vrij ondernemerschap. Als je daarop mikt in een onvrije maatschappij, krijg je een door vriendjespolitiek beheerst kapitalistisch systeem: crony capitalism. Je kunt toekomstige jonge Arabische ondernemers wel de rol van vredesarchitecten in de maag splitsen, maar als ze helemaal geen politieke vrijheid genieten, als ze binnen de bestaande machtsverhoudingen weinig tot niets hebben in te brengen, is dat een last die ze niet kunnen dragen. Bovendien is het helemaal niet realistisch om te veronderstellen dat iedereen ondernemer kan worden als-ie maar een goed idee heeft, een beetje hulp krijgt, en zijn stinkende best doet. Weinig mensen slagen als ondernemer, dat is een axioma. Het is dus niet alleen onjuist, maar ook nogal hardvochtig om vrij ondernemerschap als de oplossing voor politieke en maatschappelijke problemen aan te prijzen.’

U verzet zich erg tegen de opvatting dat onderwijs vooral tot werk moet leiden. Blijft het niet logisch te streven naar een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt als de jeugdwerkloosheid zo hoog is als in de Arabische wereld?

‘Ik heb mij jarenlang intensief met onderwijs beziggehouden en verzet mij tegen die functionele benadering. Ik erger me ook, in het verlengde daarvan, aan de overmatige aandacht voor exacte vakken. Het lijkt wel of die aandacht het enige overgebleven kwaliteitscriterium is. Het vormend aspect van onderwijs vind ik veel belangrijker, al was het maar omdat hoge cijfers voor exacte vakken al lang geen garantie meer zijn dat je er beter voor zult staan op de arbeidsmarkt. De correlatie tussen onderwijs en werk is al lang niet meer vanzelfsprekend. Dat zie je wereldwijd. Door kunstmatige intelligentie, automatisering en outsourcing is de arbeidsmarkt aan het veranderen in een tempo dat wij niet eens kunnen bevatten, en waar het reguliere onderwijs dus ook steeds minder een antwoord op heeft. Ik zeg niet dat het nutteloos is als voorbereiding op de arbeidsmarkt. Technische scholen leiden je op tot ingenieur en ingenieurs zijn nodig. Maar het is onzin om de waarde van onderwijs terug te brengen tot hoge cijfers voor exacte vakken omdat die je een goed betaalde baan bezorgen. Het eerste doel van onderwijs is mijns inziens meer dan ooit om een goede burger van je te maken,  om je te leren kritisch na te denken  over maatschappelijke veranderingen. Het UNDP-rapport zegt juist dat jongeren enkel aan zichzelf moeten denken, individuele doelen moeten nastreven. En als ze dan mislukken, is het hun eigen schuld. Je opleiding had je immers het gereedschap gegeven om te slagen. Ik vind dat onbarmhartig.’

Utopia bestaat niet. Is een precariaat, dat nog een beetje kansen biedt, uiteindelijk niet het minste kwaad? Is het niet beter dan een proleteriaat, waarin iedereen tot armoede veroordeeld is? De gemiddelde Arabier heeft het toch nooit breed gehad?

‘Nee, maar voorheen op nationalistisch-socialistische leest geschoeide Arabische landen als Egypte, Syrië, Jemen en Soedan waren toch een stuk socialer. Ze kenden vrij uitgebreide stelsels van sociale voorzieningen. De omvangrijke overheidssector maakte de vorming van een bescheiden middenklasse mogelijk. Natuurlijk, het waren politiestaten, de politieke vrijheid was nihil, maar de sociale mobiliteit was een stuk groter dan nu. Pas toen die landen flinke schulden kregen, werd de middenklasse uitgehold, mede onder invloed van een door IMF en de Wereldbank voorgeschreven beleid.’

Vespa-reclame uit de jaren zestig, met de citadel van Cairo op de achtergrond.

Als deze regimes maatschappelijk zo succesvol waren, waarom gingen ze dan ten onder?

‘Omdat economische liberalisering een enorme welvaartsgroei beloofde. Die belofte is ook waargemaakt, maar dan vooral in Westerse landen, in Europa, waar de sociaaldemocratie het kapitalisme in goede banen leidde. In de meeste ontwikkelingslanden heeft de liberalisering vooral corruptie en maatschappelijke ongelijkheid tot gevolg gehad. En religieus radicalisme, vanwege de verontwaardiging hierover. Het is nu eenmaal zo dat in de meeste dictaturen, het vooral een elite is die van privatisering profiteert.’

Vindt u het niet vreemd dat de auteurs van het UNDP-rapport – deskundigen, naar men mag aannemen – alle zaken die u noemt over het hoofd hebben gezien?

‘Het UNDP is een bolwerk van deskundigheid. Het kan ruim putten uit lokale expertise. Daarom was ik juist zo teleurgesteld. Het lijkt erop dat een aantal Arabische ambassadeurs zich met de inhoud van het rapport heeft bemoeid en ervoor heeft gezorgd dat enkele aspecten waar zij niet op zaten te wachten niet aan bod kwamen. Drie auteurs van het vierde hoofdstuk, waarin werd ingegaan op online-activisme en op jonge vrouwen als dragers van culturele verandering, hebben geklaagd dat ze weinig van hun tekst hebben teruggevonden in de eindversie. Het is sowieso niet erg transparant hoe zo’n eindversie tot stand komt. Ik erken overigens dat mijn verwachtingen misschien niet zo realistisch waren. Dat is wat collega’s mij hebben voorgehouden. Een rapport waaraan zo veel mensen werken, levert natuurlijk altijd een compromistekst op. En het was te verwachten dat politiek gevoelige zaken er voor een groot deel uit zouden worden gelaten. Vandaar dat  hele belangrijke factoren als wapenhandel  en door het Westen gesteunde oorlogen helemaal onvermeld blijven. Aan de andere kant: wanneer niemand zijn nek uitsteekt, wat kan je dan überhaupt nog verwachten?’

Uw kritiek staat. Maar moet u dan ook geen alternatief bieden?

‘Natuurlijk, ook al is dat moeilijk. Waarvoor ik pleit is een hervorming van het onderwijs. Want ik ben het er absoluut mee eens dat het nu niet voldoet. Dat het volkomen verouderd is. Maar ik zou niet in de eerste plaats investeren in exacte vakken, maar in geschiedenis, menswetenschappen, kunsten. Dat zijn vakken die de verbeelding stimuleren, de creativiteit aanwakkeren, en dat is nodig om de problemen van de Arabische wereld te lijf te gaan. Begrijp me goed: ik vind exacte vakken wel degelijk heel belangrijk, maar het hele idee dat die onontbeerlijk zijn om de mondiale markt te bedienen, is niet meer geldig. Daarnaast denk ik dat het goed is om onderwijs meer toe te snijden op lokale behoeften.

Verder is een herbezinning op arbeid noodzakelijk. Er zijn niet genoeg banen en die zullen er ook niet meer komen. Dus moet je als samenleving gaan nadenken over het toekomstige karakter van arbeid. Accepteer niet dat arbeidskrachten veroordeeld worden tot het precariaat, want de maatschappelijke prijs daarvoor is te hoog. Het is een recept voor instabiliteit. Bied bescherming. Neem mensen hun waardigheid niet af. Zoek samen naar manieren om het gebrek aan werk te ondervangen. Ik denk daarbij aan experimenten met het basisinkomen. Die zijn er bij mijn weten nog niet geweest in het Midden-Oosten, maar wel in andere niet-westerse delen van de wereld, zoals India en Latijns-Amerika, en de resultaten waren bemoedigend. Het belangrijkste is misschien dat we beter, nauwkeuriger en geduldiger luisteren naar wat jongeren in het Midden-Oosten te zeggen hebben en geen oplossingen van bovenaf opleggen.’

Herrera is Professor of Education Policy, Organization and Leadership aan de universiteit van Illinois. Haar onderzoek richt zich op onderwijs en en ‘critical democracy’, ‘the sociology of generations’, internationaal ontwikkelingsbeleid, jongeren, mondiale jeugdbewegingen, en burgerschap en bestaansmiddelen in een tijdperk van sociale media, ‘precarity’ en massa-immigratie.